Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:24526

Op 6 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.35023, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:24526. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.35023
Datum uitspraak:
6 July 2026
Datum publicatie:
28 August 2026

Indicatie

bewaring, eerste beroep, gronden voor de maatregel, lichter middel, verschillende bewaringsregimes, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.35023

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. (Voetnoot 1)

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

1.2.

In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:

Vw: Vreemdelingenwet 2000

Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. (Voetnoot 2)

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer S. Parvez als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. (Voetnoot 3) In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. (Voetnoot 4)

3.1.

Op grond van het Vb kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. (Voetnoot 5) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 6)

3.2.

Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring (Voetnoot 7).

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.

4.1.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?

5. Eiser voert aan dat voor het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring onvoldoende gronden aanwezig zijn, omdat de gronden a, c, r en s eiser niet tegengeworpen mochten worden. Eiser heeft grond p niet betwist.

5.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder mag grond c aan eiser tegenwerpen omdat deze feitelijk juist is. Zo beschikte eiser bij zijn staandehouding niet over een identiteitsbewijs of een paspoort. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling onsamenhangend verklaard over de vindplaats van zijn paspoort, namelijk dat zijn paspoort in een woning in [plaats 1] lag, deze woning niet werd bewoond en werd verbouwd. Er was volgens eiser niemand die zijn paspoort zou kunnen brengen en overhandigen aan verweerder. Niet valt in te zien waarom eiser zijn paspoort niet heeft meegenomen naar zijn meest recente verblijfplaats in [plaats 2] . Ten aanzien van grond r is de rechtbank van oordeel dat deze aan eiser mocht worden tegengeworpen omdat deze feitelijk juist is en verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom hieruit een onderduikrisico volgt. Zo heeft eiser geen adres in de Basisregistratie Personen (BRP-adres). Het niet beschikken over een BRP-adres brengt met zich mee dat eiser niet een vaste woon- of verblijfplaats heeft volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 oktober 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3885). De rechtbank constateert dat eiser ook niet op een andere wijze heeft aangetoond dat hij wel een vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dat eiser ten tijde van het gehoor een week had verbleven bij kennissen in een woning aan de [adres] in [plaats 2] is onvoldoende voor het oordeel dat eiser een vaste woon- en verblijfplaats heeft. Ook grond s is feitelijk juist en het onderduikrisico is voldoende gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Aangezien eiser onvoldoende middelen van bestaan heeft, zal eiser geen zelfstandige uitreis naar India kunnen bekostigen. De stelling dat eiser recht zou hebben op een COA-vergoeding, maakt niet dat deze grond niet aan hem mocht worden tegengeworpen. De gronden c, p, r en s dragen, in onderlinge samenhang bezien, voldoende de maatregel van bewaring. De grond a behoeft daardoor geen verdere bespreking.

Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?

6. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat inbewaringstelling enkel kan wanneer de oplegging daarvan evenredig is en wanneer een lichter middel niet mogelijk is. Volgens eiser zou plaatsing in een asielzoekerscentrum een gepast alternatief zijn. Daarnaast betoogt eiser dat er geen zorgvuldige belangenafweging is gemaakt en dat de belangenafweging in het voordeel van eiser uit had moeten vallen.

6.1.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet. (Voetnoot 8)

6.1.1.

Verweerder stelt zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat er in eisers geval een onderduikrisico volgt uit de gronden voor de maatregel van bewaring. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat inbewaringstelling de enige manier is om eisers overdracht te waarborgen. De oplegging van de maatregel van bewaring wordt door de rechtbank evenredig geacht aan het onderduikrisico. Er zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die de rechtbank aanleiding geven om tot het oordeel te komen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Eiser heeft bovendien aangegeven in goede gezondheid te verkeren. Ook verklaarde eiser geen familie in Nederland en/of Europa te hebben. Deze beroepsgrond slaagt niet.Verschillende bewaringsregimes

7. Eiser voert aan dat dat uit artikel 12 van Richtlijn 2024/1346 blijkt dat vreemdelingenbewaring in een gespecialiseerde inrichting dient plaats te vinden. In [detentiecentrum] wordt geen onderscheid gemaakt tussen asielzoekers enerzijds en uitgeprocedeerde asielzoekers en andere vreemdelingen anderzijds. Hierdoor moet het beroep gegrond worden verklaard, aldus eiser.

7.1.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. Voor zover al sprake zou zijn van rechtstreekse werking van deze bepaling, volgt uit de tekst van artikel 12 dat scheiding plaatsvindt “voor zover mogelijk”. Er lijkt dan ook geen absolute scheidingsplicht te zijn ingevoerd. Reeds daarom kan uit artikel 12 niet worden afgeleid dat iedere gezamenlijke plaatsing in strijd is met de richtlijn. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat bij eiser geen rekening is gehouden met de geldende detentievoorwaarden. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 9)

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 2

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 3

Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 4

Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voetnoot 5

Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.

Voetnoot 6

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Voetnoot 7

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Voetnoot 8

Zie ABRvS 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674), ABRvS 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en HvJEU 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

Voetnoot 9

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.