RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. (Voetnoot 1)
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000
Procesverloop
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 19 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. (Voetnoot 2)
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer U. Burgu als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. (Voetnoot 3) Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. (Voetnoot 4) Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. (Voetnoot 5) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 6)
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
4. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
4.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht, door bepaalde voorwaarden te stellen voor een lichter middel of door een vertrektermijn op te leggen. Aangezien eiser met zijn vriendin zelfstandig naar Turkije wil gaan, zou een lichter middel ook een gepaster alternatief zijn. Met (financiële) hulp van familie en vrienden kan deze terugkeer worden bewerkstelligd. Ook is eisers vriendin mogelijk zwanger, waardoor inbewaringstelling volgens eisers onredelijk bezwarend is.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewarings-gronden volstaat daarvoor niet. (Voetnoot 7)
5.1.1.
Verweerder stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden voor de maatregel een onderduikrisico blijkt. Door dit onderduikrisico zijn naar het oordeel van de rechtbank de gestelde lichtere middelen zoals een meldplicht, bepaalde voorwaarden of een vertrektermijn, ontoereikend om eisers vertrek te waarborgen. Hierbij houdt de rechtbank rekening met eisers stelling dat hij terug wil keren naar Turkije met zijn vriendin, maar dat hij tot nu toe geen acties heeft ondernomen om deze zelfstandige terugkeer op enige manier voor te bereiden. De rechtbank neemt de uitspraak van 14 december 2012 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2012:BY7395) mee in haar beoordeling, nu in deze uitspraak is geoordeeld dat de vertrekwens geconcretiseerd moet worden om deze als geloofwaardig te beschouwen. Als eiser zelfstandig terug zou willen keren, dan had hij dit op enige manier moeten concretiseren. De rechtbank beschouwt zijn vertrekwens dan ook niet als geloofwaardig. Dat eiser met financiële hulp van vrienden en familie zou kunnen terugkeren naar Turkije is ook niet onderbouwd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Geen kennis van de negatieve beschikking
6. Eiser voert aan dat hij niet op de hoogte was van de uitkomst van zijn asielaanvraag, omdat hij zijn mobiele telefoon was verloren. Eiser dacht dat hij rechtmatig verblijf had.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet, nu het voor eisers rekening komt dat hij geen weet zou hebben van de afwijzende beschikking van 6 mei 2026. Het COA heeft immers bericht op 24 maart 2026 dat eiser driemaal niet heeft voldaan aan zijn meldplicht, waarna een melding is gemaakt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Bovendien heeft eiser op geen moment gepoogd om de uitkomst van zijn asielaanvraag na te vragen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 8)
Beslissing
Beslissing
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.