Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 mei 2026 (in de zaak NL26.25034) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Zicht op uitzetting en voortvarend handelen
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Eiser erkent dat er in algemene zin wel zicht op uitzetting is, maar betoogt dat de specifieke omstandigheden van eisers geval ervoor zorgen dat er geen zicht op uitzetting is. De laissez-passer aanvragen die zijn verzonden op 17 februari 2026 bij de Libische en Algerijnse autoriteiten hebben nog niet geleid tot eisers uitzetting. Van de Libische autoriteiten is namelijk nog geen reactie ontvangen. Bij de Algerijnse autoriteiten heeft op 13 mei 2026 een presentatie plaatsgevonden, maar sindsdien heeft eiser geen bericht meer ontvangen. Verder stelt eiser dat er onvoldoende voortvarend is gehandeld door verweerder sinds het sluiten van het onderzoek bij het eerste beroep tegen de maatregel in de zaak met NL26.25034, omdat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt welke stappen zijn ondernomen die tot uitzetting kunnen leiden.
4. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is. De reden hiervoor is dat er zowel in zijn algemeenheid als in het specifieke voorliggende geval een zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank stelt voorop dat uit onder andere de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3070) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722) volgt dat, zoals eiser terecht heeft erkent, er in het algemeen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat naar respectievelijk Libiƫ en Algerije. Laissez-passer trajecten kunnen soms enige tijd vergen, waardoor niet zonder meer het zicht op uitzetting binnen een redelijk termijn ontbreekt in het geval er enige maanden voorbijgaan. Ook in eisers geval is er momenteel nog sprake van zicht op uitzetting. Bovendien is eiser gepresenteerd op 13 mei 2026 bij de Algerijnse autoriteiten. Dat er sindsdien geen reactie meer gekomen vanuit de Algerijnse autoriteiten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om zich met eisers standpunt over het zicht op uitzicht te kunnen verenigen.
5. Ook hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot het voortvarend handelen slaagt niet. Uit de door verweerder overgelegde voortgangsrapportage blijkt dat zowel bij de Libische als Algerijnse autoriteiten meermaals is gerappelleerd in het kader van de laissez-passer trajecten na het sluiten van het onderzoek bij het eerste beroep tegen de maatregel. Ditzelfde geldt voor de vertrekgesprekken die zijn gevoerd met eiser op 6 juni 2026 en 2 juli 2026. Om deze redenen kan niet worden gesteld dat verweerder heeft stilgezeten gedurende deze lopende laissez-passer trajecten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld tot nu toe. Deze beroepsgronden slagen niet.
6. Eiser voert vervolgens aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat de inbewaringstelling nu al enige tijd heeft voortgeduurd en er daardoor zwaardere eisen moeten worden gesteld aan de maatregel van bewaring. De belangen van eiser wegen nu zwaarder dan die van verweerder. Verder voert eiser aan dat verweerder onterecht in de belangenafweging heeft overwogen dat eiser de uitzetting probeert te frustreren. Eiser heeft namelijk zijn presentatie bij de Algerijnse autoriteiten afgerond en het staat eiser vrij om van zijn rechten gebruik te maken om een verblijfsprocedure te voeren.
7. Als een redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en verweerder voortvarend werkt aan de verwijdering, is de duur van de bewaring een element dat bij de belangenafweging moet worden betrokken. De Vw stelt een maximum van achttien maanden aan de duur van de bewaring. Dit betekent echter niet dat de bewaring in alle gevallen ook achttien maanden mag voortduren. Naarmate de bewaring voortduurt, wordt het belang van betrokkene om in vrijheid te worden gesteld groter. Indien de maatregel langer duurt dan zes maanden, kan deze toch voortduren op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, indien sprake is van bijkomende omstandigheden, zoals frustratie van het onderzoek, passief of actief. Uit het voortgangsrapport blijkt dat verweerder op 5 juni 2026 een verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt en ook nadien aan eiser de maatregel van bewaring heeft voortgeduurd. Uit de toelichting bij deze verzwaarde belangenafweging volgt dat de consul van de Algerijnse vertegenwoordiging tijd heeft gegeven aan eiser om bewijzen aan te leveren van eisers gestelde kinderen in Europa. Niet is gebleken dat na het verzoek om aanvullende documenten te vergaren door de Algerijnse autoriteiten aan eiser, eiser heeft geprobeerd documenten te verzamelen ten behoeve van zijn zaak. De rechtbank concludeert dat eiser daarmee geen medewerking aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit verleent en hij onderneemt zelf geen actie om aan documenten te komen. Verder heeft verweerder overwogen dat er geen omstandigheden zijn die maken dat inbewaringstelling onevenredig bezwarend is.
8. De hiervoor genoemde omstandigheden leiden de rechtbank tot de conclusie dat aan het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het sluiten van het onderzoek bij het eerste beroep tegen de maatregel op enig moment onrechtmatig was. Er is ook niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering (zoals bedoeld in het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.