RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft verweerder aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. (Voetnoot 1)
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. (Voetnoot 2) Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. (Voetnoot 3) Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. (Voetnoot 4) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 5)
De aan eiseres opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiseres:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3.2.
De rechtbank stelt vast dat de gronden die aan de maatregel ten grondslag liggen niet zijn betwist door eiseres. Na ambtshalve toetsing van de gronden is de rechtbank van oordeel dat de gronden voldoende zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen. Er volgt een onderduikrisico uit de gronden.
Zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en voortvarend handelen
4. Eiseres voert aan dat vrijheidsbeneming zoals inbewaringstelling in het licht van artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) enkel rechtmatig mag plaatsvinden. Dit is volgens eiseres niet het geval in haar zaak, nu er in haar geval geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn aanwezig was. Eiseres betoogt dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn is, omdat eiseres enige tijd heeft verbleven in bewaring zonder dat voor haar duidelijk was of en wanneer zij zou worden uitgezet naar Hongarije. Daarnaast betoogt eiseres dat er onvoldoende voortvarend is gehandeld, nu er pas op 23 juli 2026 een vlucht is aangevraagd voor eiseres. Eiseres stelt dat dit onder de gegeven omstandigheden onvoldoende voortvarend is, nu bij de vreemdelingenpolitie al duidelijk was wie zij is.
4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Anders dan eiseres betoogt bestaat er wel een redelijk vooruitzicht op verwijdering binnen een redelijke termijn. De reden hiervoor is dat eiseres al meermaals naar Hongarije is uitgezet en het is de rechtbank niet gebleken dat er deze keer wel omstandigheden in de weg zouden staan aan eiseres haar uitzetting. Verweerder heeft daarom ten tijde van het opleggen van de maatregel terecht aangenomen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn voor de vreemdeling niet ontbrak.
4.2.
Met betrekking tot het voortvarend handelen door verweerder oordeelt de rechtbank als volgt. Het tijdpad van verweerders handelingen laat zien dat verweerder op 20 juli 2026 eiseres in bewaring heeft gesteld, op 21 juli 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd met haar, op 23 juli 2026 een vlucht heeft aangevraagd en dat de uitzetting op 30 juli 2026 zal plaatsvinden. De rechtbank ziet in dit tijdpad geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.
Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken dat er een schending van artikel 6 van het Handvest dan wel artikel 5 van het EVRM heeft plaatsgevonden.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiseres aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiseres verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 6)
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.