RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Alam-Khan),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).
Procesverloop
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 22 juli 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
1.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. (Voetnoot 1)
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. P. Frimpong, waarnemend voor de gemachtigde van eiser, de heer O. Agir als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2. Verweerder kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2° van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op vaststelling van de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling. (Voetnoot 2) Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als de identiteit of de nationaliteit van de vreemdeling met onvoldoende zekerheid bekend is en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6., tweede lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen. (Voetnoot 3)
2.1.
Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast. (Voetnoot 4)
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser
3.1.
In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;o. niet langer beschikbaar is door te verzuimen melding te doen van afwezigheid in een bepaald opvangcentrum of aangewezen gebied van verblijf;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;u. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.
Leidt een gebrek bij de ophouding na een belangenafweging tot onrechtmatigheid van de maatregel van vreemdelingenbewaring?
4. Eiser stelt dat sprake is van een gebrek in het voortraject. Eiser betoogt namelijk dat uit het dossier, in het bijzonder uit het proces-verbaal van de ophouding, blijkt dat de ophouding te lang heeft voortgeduurd. De ophouding werd namelijk gelast om 12:15 uur en nadien werd de maatregel van bewaring opgelegd om 18:55 uur. Dit brengt met zich mee dat de ophouding voor enige tijd onrechtmatig heeft plaatsgevonden. Eiser betoogt dat dit gebrek ertoe leidt dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is opgelegd en dat er schadevergoeding moet worden toegekend.
4.1.
De rechtbank constateert inderdaad een gebrek in het voortraject doordat de ophouding langer dan zes uren en daarmee enige tijd onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank sluit zich echter aan bij het door verweerder ingenomen standpunt dat dit gebrek er niet voor zorgt dat de belangenafweging in het voordeel van eiser moet uitvallen. De overschrijding van de ophoudingstermijn is niet zodanig lang, te weten veertig minuten, dat hierdoor de belangen van eiser dermate ernstig zouden zijn geschaad en hierdoor de maatregel van bewaring onrechtmatig zou zijn geworden. Bij een overschrijding van de duur van de ophouding, neemt de rechtbank in haar oordeel over de belangenafweging ook het gedrag van de vreemdeling mee (zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:1920)). In de voorliggende zaak betrekt de rechtbank eisers eerdere vertrek met onbekende bestemming en eisers asielvraag tijdens de ophouding. Het voorgaande samengenomen, leidt ertoe dat de belangen van verweerder bij eisers inbewaringstelling prevaleren boven de belangen van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet, voor zover deze ziet op de onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring.
4.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder wel in de proceskosten van eiser vanwege het gebrek in het voortraject.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat hij hangende de asielaanvraag de mogelijkheid moet worden gegeven om de behandeling en uitkomst van de asielaanvraag in vrijheid af te wachten. Er dient dan ook een lichter middel te worden gehanteerd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister: verwijzing naar de vreemdelingenbewarings-gronden volstaat daarvoor niet. (Voetnoot 5)
5.1.1.
Verweerder stelt zich, gelet op de niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit de gronden voor de maatregel van bewaring een onderduikrisico volgt. Bovendien is op 12 november 2024, zoals ook in 4.1. is opgenomen, een melding gemaakt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Het feit dat eiser sindsdien immer de mogelijkheid heeft gehad om opnieuw een aanvraag te doen, maar dit pas besloot te doen zodra hij in aanraking kwam met de autoriteiten, duidt er op dat eiser zijn verblijf in Nederland zo lang mogelijk probeert te verlengen. De rechtbank gaat niet mee met het door eiser ingenomen standpunt dat hem de mogelijkheid moet worden gegeven om zijn asielaanvraag in vrijheid af te wachten met behulp van een lichter middel. Voor een lichter middel is het onderduikrisico te groot. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat er medische en/of persoonlijke omstandigheden spelen die maken dat inbewaringstelling onredelijk bezwarend is voor eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 6)
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond.
Daarom wordt ook om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt wel een vergoeding van zijn proceskosten.
7.1.
Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
Beslissing
verklaart het beroep ongegrond;
wijst om schadevergoeding af;
veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.