Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:24879

Op 21 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL24.29108, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:24879. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL24.29108
Datum uitspraak:
21 August 2026
Datum publicatie:
31 August 2026

Indicatie

Visum voor kort verblijf (bezoek aan zoon); Iran; geen economische en sociale binding met Iran; eerdere visumverlening.

Eiseres is een weduwe op leeftijd die de Afghaanse nationaliteit heeft en jarenlang in Iran verblijft en daar een vergunning heeft. Zij wenst haar zoon in Nederland voor korte duur te bezoeken.

In deze uitspraak oordeelt de rechtbank dat verweerder geen economische en sociale binding met Iran heeft hoeven aannemen. Eiseres heeft niet met objectief verifieerbaar bewijs aangetoond dat haar dochter in Iran verblijft.

De omstandigheid dat eerder in 2012 aan eiseres een visum voor kort verblijf bij referent is verleend en eiseres destijds vanuit Nederland tijdig is teruggekeerd naar Iran, leidt niet tot een ander oordeel. Dit visum is ongeveer 11 jaar voor de onderhavige visumaanvraag (van 20 februari 2023) verleend en niet gebleken is dat de situatie van eiseres destijds hetzelfde was als de situatie ten tijde van het bestreden besluit. Zo leefde de echtgenoot van eiseres ten tijde van het vorige bezoek nog en is zij samen met hem naar Nederland gereisd en weer teruggekeerd naar Iran. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.29108

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. R. Aboukir),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A.H. de Laat).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 25 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordiger door hun gemachtigden. Verder is [zoon eiseres] (hierna: referent) ter zitting verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1944 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiseres is met haar echtgenoot vanuit Afghanistan naar Iran gevlucht en zij beschikt daar over een asielvergunning. Haar echtgenoot is inmiddels overleden.

Op 20 februari 2023 heeft zij een visum voor kort verblijf voor de duur van 60 dagen aangevraagd. Eiseres wenst haar zoon [referent] (referent) in Nederland te bezoeken. Bij het primaire besluit heeft verweerder de visumaanvraag van eiseres afgewezen.

Bestreden besluit

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing van de visumaanvraag gehandhaafd op de weigeringsgronden dat eiseres het doel en de omstandigheden van haar voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en dat er redelijke twijfel bestaat over haar voornemen om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het visum te verlaten. In aanvulling op het primaire besluit heeft verweerder als weigeringsgrond toegevoegd dat niet gebleken is of aannemelijk is gemaakt dat eiseres voldoende geld heeft om in de kosten van haar levensonderhoud tijdens het verblijf te voorzien en om de heen- en terugreis te betalen. Ook kan volgens verweerder niet vastgesteld worden dat referent duurzaam solvabel is om garant te staan voor eiseres.

Beroepsgronden

3. Eiseres is het niet eens met de motivering van verweerders standpunt dat onvoldoende is gebleken van een sociale en economische binding met Iran. Nu eiseres 79 jaar oud is en weduwe is, kan in het kader van de sociale binding niet aan haar worden tegengeworpen dat zij in Iran niet de zorg draagt voor (minderjarige) kinderen. Dat niet is aangetoond dat eiseres een dochter heeft die in Iran woont, kan niet als relevante omstandigheid bij de beoordeling worden betrokken. Eiseres vindt de overweging in het besluit dat zij enige binding met Nederland heeft vreemd. Eiseres woont immers ruim 25 jaar in Iran, heeft een hoge leeftijd, heeft daar een eigen woning en heeft eigen inkomsten waardoor zij in sociaal en economisch opzicht is gebonden aan Iran. Het feit dat eiseres geen werk heeft, kan, gelet op haar leeftijd, geen reden zijn om aan te nemen dat zij niet tijdig zal terugkeren naar Iran.

Eiseres wijst erop dat zij eerder wel tijdig vanuit Nederland is teruggekeerd naar Iran, terwijl toen vrijwel dezelfde economische omstandigheden een rol speelden.

Verder heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres dan wel referent niet over voldoende middelen van bestaan voor de beoogde reis en verblijfsduur beschikt. De inkomsten van referent hoeven niet duurzaam te zijn. Het kan juist zijn dat er een verschil is tussen de verklaring van referent en die van de boekhouder, maar dit is geen reden om te stellen dat het inkomen van referent niet duurzaam of voldoende hoog is.

Juridisch kader

4. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode, voor zover van belang, wordt een visum geweigerd:

a. indien de aanvrager:

[…]

ii. het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;iii) niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken, zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van bestendig verblijf of verblijf, of voor doorreis naar een derde land waar hij met zekerheid zal worden toegelaten, of in de mogelijkheid te verkeren deze middelen legaal te verkrijgen;[…]

of

b. indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank stelt voorop dat uit het arrest Koushkaki van het Hof van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, volgt dat de autoriteiten bij het onderzoek van een visumaanvraag over een ruime beoordelingsruimte beschikken met betrekking tot de toepassingsvoorwaarden van (onder andere) artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten, om te bepalen of een van de weigeringsgronden aan de aanvrager kan worden tegengeworpen. Dit betekent dat de rechtbank het standpunt van verweerder dat een weigeringsgrond zich voordoet slechts terughoudend kan toetsen.

Twijfel over tijdige terugkeer

6. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum te verlaten (weigeringsgrond als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode), overweegt de rechtbank als volgt.

6.1.

Bij zijn beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren naar het land van herkomst mag verweerder zich in belangrijke mate laten leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van die vreemdeling met zijn land van herkomst. Al naar gelang de sociale en/of economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen substantiële sociale binding met Iran hoeven aannemen. Eiseres is een weduwe op hoge leeftijd. Niet is gebleken dat eiseres in Iran zorg draagt voor familieleden of andere personen. Uit de motivering van het bestreden besluit leidt de rechtbank niet af dat aan eiseres wordt tegengeworpen dat zij geen kinderen (meer) heeft voor wie zij zorgt, maar dat er in het geval van eiseres geen omstandigheden zijn op grond waarvan een voldoende sociale binding met Iran kan worden aangenomen. Er is geen sprake van een eigen achterblijvend gezin, waarvoor eiseres de verantwoordelijkheid draagt.

Verweerder heeft van belang kunnen achten dat eiseres geen objectief verifieerbare bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat één van haar dochters daadwerkelijk in Iran woont en over een Iraanse verblijfsvergunning beschikt. Verder is niet gebleken dat er broers of zussen zijn, die net als eiseres, in Iran verblijven. Uit de door referent ingevulde vragenlijst blijkt dat eiseres zeven broers en zussen heeft, waarvan er vier in Afghanistan en één in Duitsland woont.

Verweerder heeft kunnen aannemen dat sprake is van een zekere mate van sociale binding met Nederland, nu één zoon, referent, in Nederland woont er en daarnaast nog een broer en een zoon in Duitsland verblijven.

Verder is niet gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres

zouden kunnen dwingen om tijdig naar Iran terug te keren.

6.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenmin hoeven aannemen dat eiseres een zodanige economische binding heeft met Iran dat tijdige terugkeer naar dat land redelijkerwijs gewaarborgd is te achten.

Eiseres heeft geen inkomsten uit arbeid. Eiseres beschikt in Iran over een koopwoning die zij verhuurt. Het hebben van onroerende goederen of de verhuur daarvan betekent niet zonder meer dat er een substantiële economische binding met Iran is op grond waarvan eiseres gehouden is tijdig terug naar dat land te keren. Voor het bezit of de verhuur van de woning is geen fysieke aanwezigheid van eiseres vereist. Onroerende goederen kunnen op elk willekeurig moment worden verkocht of verhuurd, ook vanuit een land buiten Iran. Eiseres heeft niet met objectieve bewijsstukken aangetoond dat zij daadwerkelijk huurinkomsten ontvangt.

Verder kan uit de in bezwaar overgelegde bankverklaring niet worden afgeleid over welk bedrag eiseres daadwerkelijk kan beschikken. Het gaat om twee bankrekeningen waarvan één rekening een paar maanden voor de indiening van de visumaanvraag is geopend, namelijk in oktober 2022. Daarnaast staat één van de twee bankrekeningen op naam van de zoon van eiseres die volgens de ingevulde vragenlijst in de Verenigde Staten woonachtig is. Eiseres hoeft ook niet in Iran te verblijven om over het geld van deze bankrekeningen te kunnen beschikken.

6.4.

De omstandigheid dat eerder in 2012 aan eiseres een visum voor kort verblijf bij referent is verleend en eiseres destijds vanuit Nederland tijdig is teruggekeerd naar Iran, leidt niet tot een ander oordeel. Dit visum is ongeveer 11 jaar voor de onderhavige visumaanvraag (van 20 februari 2023) verleend en niet gebleken is dat de situatie van eiseres destijds hetzelfde was als de situatie ten tijde van het bestreden besluit. Zo leefde de echtgenoot van eiseres ten tijde van het vorige bezoek nog en is zij samen met hem naar Nederland gereisd en weer teruggekeerd naar Iran. Verweerder heeft er bovendien terecht op gewezen dat iedere visumaanvraag op zijn eigen merites wordt beoordeeld en dat bij iedere visumaanvraag afzonderlijk dient te worden beoordeeld of aan de voorwaarden van de Visumcode wordt voldaan.

6.5.

De beroepsgronden slagen niet.

Doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf en voldoende middelen van bestaan

7. Ten aanzien van de standpunten van verweerder dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en onvoldoende heeft aangetoond dat zij dan wel referent beschikt over voldoende middelen van bestaan voor de beoogde reis en verblijfsduur (weigeringsgronden als bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii en iii, van de Visumcode), overweegt de rechtbank dat de hiervoor besproken grond dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten voor het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum te verlaten, al voldoende is om de visumaanvraag van eiseres af te wijzen. De rechtbank laat deze afwijzingsgronden daarom onbesproken.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

P. Deinum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.