4. De minister heeft aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMbV en er een onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser de vreemdelingrechtelijke procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de AMbV. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 20 september 2025 illegaal de grens met Spanje heeft overschreden, op 16 en 17 juli 2026 is geregistreerd voor illegale grensoverschrijding in Duitsland en op 20 juli 2026 in Duitsland onder toezicht is geregistreerd. Op 16 augustus 2026 heeft eiser een verzoek tot internationale bescherming in Nederland ingediend.
7. De rechtbank is van oordeel dat grond a, anders dan eiser stelt, terecht aan hem is opgelegd. Deze grond is feitelijk juist, omdat eiser niet beschikt over een paspoort, geldig visum of verblijfsvergunning en heeft daarom niet aannemelijk kunnen maken dat hij via de voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen. Daarnaast blijkt uit zijn verklaringen voorafgaand aan de inbewaringstelling, dat hij door diverse Europese landen is gereisd en zijn paspoort in Algerije heeft achtergelaten. Dat eiser een asielzoeker is, doet daar niet aan af, omdat de minister mag volstaan met een motivering die feitelijk juist is. (Voetnoot 10) Grond e is feitelijk juist, omdat uit eisers verklaringen volgt dat hij zijn documenten bewust heeft achtergelaten in Algerije. Dat eiser stelt dat hij deze later veilig wilde laten overkomen, doet hier niet aan af. Daar komt bij dat eiser tot op heden nog altijd niet in het bezit is van deze documenten. Grond p is feitelijk juist en kan dan ook aan eiser worden tegengeworpen, omdat hij niet beschikt over een document zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vb (Voetnoot 11). Ook heeft eiser tot op heden geen acties ondernomen om alsnog in het bezit te komen van identificerende documenten, of vervangende (reis)documenten. Tot slot zijn grond r en s feitelijk juist. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij niet over voldoende middelen van bestaan beschikt en afhankelijk is van het leefgeld en opvang van het COa. (Voetnoot 12) De minister heeft voor de laatste drie gronden eveneens het bestaan van een onderduikrisico gemotiveerd. (Voetnoot 13)
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het onderduikrisico is gegeven. Dat eiser stelt dat zijn asielprocedure nog loopt, dat hij zal meewerken en dat hij verschenen is voor zijn afspraken, doet hier niet aan af en maakt niet dat de minister met een lichter middel had moeten volstaan.
8.1.
Ook is de rechtbank overigens niet gebleken van medische omstandigheden dan wel persoonlijke belangen van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
9. Hoewel er op het moment van de zitting op 28 augustus 2026, nog geen overdrachtshandelingen waren verricht, is gelet op de korte duur van de maatregel geen sprake van onvoldoende voortvarend handelen door de minister. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten om te oordelen dat zicht op overdracht ontbreekt.