3. De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. (Voetnoot 3) De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. (Voetnoot 4) Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. (Voetnoot 5) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 6)
4. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat.
4.1.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De rechtbank stelt vast dat eiser alle gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd, heeft betwist. Eiser voert ten aanzien van de grond onder 2a aan dat eiser met een geldige ID-kaart naar Nederland is gereisd en eenvoudig zijn verblijfsrecht terug kan krijgen. Ten aanzien van de grond onder 2b voert eiser aan dat hij in 2025 is uitgezet en sindsdien niet in aanraking is geweest met de Nederlandse politie en justitie. Ten aanzien van de grond onder 2h voert eiser aan dat hij niet uit Nederland hoeft te vertrekken. Verder voert eiser ten aanzien van de gronden onder 2p, 2r en 2s aan dat zijn document is gestolen, hij wel degelijk een verblijfplaats heeft en financieel wordt onderhouden door zijn familie.
6. De rechtbank oordeelt dat alle gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. Eiser is zonder een geldig identiteitsdocument Nederland ingereisd. Eiser stelt dat hij zijn reisdocument is verloren, maar uit het dossier blijkt niet dat hij hier een melding of aangifte van heeft gedaan. Ook is niet gebleken dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd danwel elders een bestendig bestaan heeft opgebouwd, waardoor het verwijderingsbesluit van 6 december 2023 nog steeds geldig is en eiser onrechtmatig in Nederland verblijft. Uit de omstandigheden dat eiser in Nederland wil werken en stelt een kamer in Utrecht te huren, valt niet op te maken dat eiser voornemens is om zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief te beëindigen. Daarbij heeft eiser tot op heden geen activiteiten ondernomen om aan een nieuw identiteitsdocument te komen, staat hij niet ingeschreven in de BRP en bezit hij onvoldoende middelen van bestaan. Ook is de rechtbank van oordeel dat de minister de grond onder 2p, 2r en 2s voldoende gemotiveerd heeft om op grond daarvan een onderduikrisico aan te nemen. De beroepsgrond slaagt niet.
7. Ter zitting voert eiser aan dat hij niet in bewaring gesteld hoeft te worden. Hij is bereid zich bij de politie te melden wanneer hij weer in vrijheid wordt gesteld.
8. De rechtbank vat hetgeen eiser aanvoert op als een beroep op een lichter middel en
oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet kon worden volstaan met een
lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Allereerst blijkt uit de gronden
van de maatregel en de motiveringen al dat een onderduikrisico bestaat. Hierbij wijst de
rechtbank er onder meer op dat eiser niet op voorgeschreven wijze Nederland is binnengekomen, hij geen documenten heeft, niet in de BRP staat ingeschreven, onvoldoende middelen van bestaan heeft en eerder is uitgezet naar Polen maar vervolgens weer is teruggekeerd naar Nederland ondanks dat zijn verblijfsrecht is ingetrokken. Verder is niet gebleken van omstandigheden die ervoor zorgen dat de maatregel van vreemdelingenbewaring onevenredig bezwarend voor eiser is gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiser voert in het kader van voortvarend handelen aan dat alles sinds de eerste dag bekend is en vraagt zich dan ook af of er al een vlucht is geboekt.
10. De rechtbank stelt vast dat eiser op 22 augustus 2026 in vreemdelingenbewaring is gesteld. Op 27 augustus 2027 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd waarin hij asiel heeft aangevraagd. Op 28 augustus 2026 is eisers asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Uit deze handelingen blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister op dit moment onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Ter zitting vult de minister nog aan dat op de dag van de zitting nog een bericht aan DIA zal worden verzonden voor T&O-aanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiser voert ter zitting aan dat wanneer hij terugkeert naar Polen, hij opnieuw in detentie zal worden gezet omdat hij geen werk heeft en dus geen alimentatie kan betalen.
12. De rechtbank vat hetgeen eiser aanvoert op als een beroep op het beginsel van non-refoulement en overweegt dat de toets aan het beginsel van non-refoulement plaatsvindt bij de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat eiser Unieburger is. Niet gebleken is dat zich in het geval van eiser een uitzondering voordoet. Daarbij heeft eiser niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de detentie, waarin hij stelt terecht te komen bij terugkeer, onrechtmatig is of dat Polen hiermee internationale regelgeving breekt. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
13. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 7)