RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
geboren op [datum] 1975,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G. Dreijer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. (Voetnoot 1) Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit een motiveringsgebrek bevat, maar dat de minister dit met een aanvullende motivering op zitting heeft hersteld. De rechtbank vernietigt het besluit, maar ziet in de aanvullende motivering aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dit bekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 maart 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser was investeerder in een tijdschrift. Zijn werkzaamheden hiervoor werden door het vorige regime gezien als politieke activiteiten. Eiser is daardoor in 2012 opgepakt en hij heeft vijftien maanden gevangen gezeten. Eiser vreest nog steeds voor problemen met de autoriteiten, omdat ze de dossiers hebben overgenomen van de oude autoriteiten. Verder is eiser niet religieus en is hij daardoor bedreigd.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. de problemen van eiser vanwege zijn politieke activiteiten; en
3. de problemen van eiser vanwege het niet religieus zijn.
De minister acht deze drie asielmotieven geloofwaardig. Het feit dat eiser afkomstig is uit Syrië is op zichzelf genomen niet genoeg om als vluchteling te worden aangemerkt. Verder heeft de minister overwogen dat niet valt in te zien dat eiser op dit moment onder het nieuwe regime vervolgd zal worden vanwege zijn politieke activiteiten tegen het oude regime. Ook acht de minister niet aannemelijk dat eiser vanwege zijn niet religieuze levenswijze te vrezen heeft voor vervolging. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
5. Voor zover eiser verzoekt om de zienswijze als ingelast te beschouwen in de gronden van beroep, stelt de rechtbank vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering van het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.
Vrees bij terugkeer vanwege politieke activiteiten
6. Eiser stelt bij terugkeer naar Syrië te zullen worden vermoord of gevangengenomen. Hij is eigenaar geweest van een tijdschrift en het regime beschouwde de activiteiten voor dat tijdschrift als politieke activiteiten. Eiser heeft als gevolg daarvan vijftien maanden in de gevangenis gezeten. Bij terugkeer vreest eiser opnieuw problemen van de veiligheidsdienst, omdat de huidige machthebbers de oude lijsten van de veiligheidsdienst onder het vorige regime hebben overgenomen. Eiser stelt daarom nog steeds te worden gezocht door de veiligheidsdienst in Syrië. In dit verband heeft eiser erop gewezen dat hij in 2022 een dreigtelefoontje heeft ontvangen. Ook stelt eiser telefonisch contact te hebben opgenomen met een vriend die een juwelierszaak heeft in Syrië en met zijn advocaat in Syrië. Van hen heeft hij vernomen dat de veiligheidsdiensten van Syrië nog steeds naar hem op zoek zijn. Hieruit volgt volgens eiser dat hij nog steeds in de negatieve belangstelling staat.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor de veiligheidsdienst niet aannemelijk heeft gemaakt. In dit verband heeft de minister erop kunnen wijzen dat de detentie van eiser onder het oude regime heeft plaatsgevonden en dat niet valt in te zien waarom eiser na de val van het regime Assad in 2024 nog als politiek tegenstander zou worden gezien en als gevolg daarvan problemen heeft te duchten bij terugkeer. De minister er op de zitting terecht op gewezen dat de geloofwaardig geachte politieke activiteiten verband hielden met het financieren van een tijdschrift dat kritiek leverde op het regime van Assad. Nu het regime is gevallen valt niet in te zien waarom eiser op basis hiervan nog heeft te vrezen. Bovendien is online ook niets meer te vinden is over het tijdschrift. Ten aanzien van het dreigtelefoontje in 2022 heeft de minister terecht overwogen dat het oude regime van Assad toen nog aan de macht was, zodat die telefonische bedreiging niet direct een indicatie vormt voor de vrees die eiser stelt te hebben bij terug naar Syrië onder het nieuwe regime.
6.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser onvoldoende heeft ingebracht tegen de motivering in het bestreden besluit dat de oude lijsten van het regime Assad zijn opgeschoond en dat ook wanneer men nog op een lijst staat vermeld het mogelijk is om daarvan te worden verwijderd. Bovendien heeft eiser op zitting aangegeven niet te weten of hij überhaupt op een lijst staat. Terwijl hij wel heeft hij verklaard dat het dossier van de gevangenis waar hij verbleef is vernietigd. De minister heeft op de zitting deugdelijk gemotiveerd dat en waarom aan de informatie van eisers advocaat en de vriend van eiser (de juwelier), waaruit zou volgen dat de veiligheidsdienst nog steeds naar eiser op zoek is, niet de waarde toekomt die eiser wenst. De minister heeft in dit verband terecht gesteld dat het bevreemdend en onlogisch is dat de veiligheidsdienst in de juwelierszaak naar eiser zou hebben gevraagd. De eigenaar kent eiser enkel van naam zodat het onlogisch is dat de veiligheidsdienst juist bij hem zou komen voor informatie over eiser. Voorzover is gesteld dat een transactie van onroerend goed geen doorgang kan vinden, omdat eiser zou worden gezocht door de veiligheidsdienst, is deze stelling onvoldoende onderbouwd. De beroepsgrond faalt.
Vrees bij terugkeer vanwege niet religieus zijn
7. Eiser vreest bij terugkeer voor vervolging dan wel ernstige schade omdat hij niet religieus is.
7.1.
De minister heeft in het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen voldoende deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Syrië vanwege het niet hebben van een religie. Uit het Algemeen Ambtsbericht van 2025 en de landeninformatie van EUAA blijkt weliswaar dat afvalligen verstoting binnen de eigen gemeenschap kunnen ervaren, maar niet dat afvalligen van overheidswege worden vervolgd. Hierbij is ook betrokken dat uit landeninformatie volgt dat de overgangsregering van HTS geen strenge islamitische leefregels heeft geïntroduceerd en dat ook niet anderszins van bestraffing of andere vormen van vervolging in Syrië is gebleken vanwege het niet praktiseren van een geloofsovertuiging. Daarbij geldt ook dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser zijn niet religieuze levenswijze in Syrië zal uiten op een manier waardoor hij te vrezen heeft voor vervolging. In dit verband heeft de minister er terecht op gewezen dat eiser als sinds zijn dertigste niet religieus is en dat hij in het verleden altijd zijn leven heeft geleid zonder te bidden, te vasten en te geloven, zonder daar noemenswaardige problemen door te hebben ondervonden. Niet valt in te zien waarom dat bij terugkeer anders zou zijn. De stelling in beroep en op de zitting dat de problemen eerder zijn begonnen en dat na de vrijlating van eiser de naam van hem op televisie zou zijn verschenen met de oproep om hem te doden, vindt geen bevestiging in het dossier en is ook niet op een andere manier onderbouwd. Deze niet nader onderbouwde stelling leidt dan ook niet tot een ander oordeel. Hieruit volgt dat ook niet aannemelijk is geworden dat eiser te vrezen heeft bij terugkeer vanwege het niet hebben van een religie.
De algehele veiligheidssituatie in Syrië en de humanitaire omstandigheden
8. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming. Volgens eiser heeft de minister de beoordeling of aan iedereen uit Syrië subsidiaire bescherming moet worden verleend onjuist uitgevoerd en weegt de minister de humanitaire omstandigheden ten onrechte niet mee. Eiser wijst in dit verband onder meer naar de uitspraak van deze rechtbank, Den Haag van 23 februari 2026 (Voetnoot 2) en die van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025 (Voetnoot 3) en die van de meervoudige kamer van deze rechtbank zittingsplaats Den Bosch van 11 december 2025. (Voetnoot 4) Ook heeft eiser verwezen naar de prejudiciële vraag van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 29 december 2025. (Voetnoot 5)
8.1.
De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat in het bestreden besluit niet gemotiveerd is ingegaan op de stelling van eiser dat de minister bij zijn beoordeling over de mate van het willekeurige geweld in Syrië de (slechte) humanitaire omstandigheden dient te betrekken. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek en dat het bestreden besluit om die reden voor vernietiging in aanmerking komt.
8.2.
De minister heeft dit gebrek op de zitting erkend en heeft zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van
9 december 2025 (Voetnoot 6) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van
19 mei 2026 (Voetnoot 7) op het standpunt gesteld dat de humanitaire omstandigheden terecht niet zijn betrokken bij de beoordeling van het willekeurige geweld, omdat er geen verband bestaat tussen de slechte humanitaire omstandigheden en de (huidige) actoren van het willekeurige geweld. De gemachtigde van de minister heeft verzocht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, met de ter zitting gegeven motivering, het geconstateerde gebrek afdoende heeft hersteld. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft al heeft overwogen geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. (Voetnoot 8) Uit het ambtsbericht van januari 2026 volgt niet dat de algemene veiligheidssituatie wezenlijk is verslechterd. Met wat eiser heeft aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat de minister niet uit mag gaan van een 15c-situatie in de laagste gradatie.
8.4.
Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. (Voetnoot 9) Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten en artikelen, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de nu nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de door eiser aangevoerde landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit die informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld.
De humanitaire situatie en artikel 3 van het EVRM
(Voetnoot 10)
9. Eiser betoogt verder dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Syrië terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. Eiser heeft daarbij in algemene zin gewezen op het arrest Sufi en Emi. (Voetnoot 11)
9.1.
Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als een slechte humanitaire situatie zich niet afspeelt in de context van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, artikel 3 van het EVRM slechts wordt geschonden in ‘very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling’.
9.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt terecht dat eiser in de gronden van beroep geen onderbouwing heeft gegeven van deze zeer uitzonderlijke humanitaire omstandigheden, en dat ook niet heeft toegespitst op de situatie in Aleppo. Hoewel sprake is van een zeer slechte en complexe humanitaire situatie, is de rechtbank op basis van de nu in het dossier aanwezige stukken, niet gebleken dat in Syrië, en Aleppo in het bijzonder, zeer uitzonderlijke omstandigheden, als bedoeld onder rechtsoverweging 9.1., bestaan. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat volgens UN OCHA naar schatting 16,5 miljoen Syriërs, onder wie 7,2 miljoen binnenlands ontheemden en bijna 2 miljoen teruggekeerde binnenlands ontheemden, behoefte hadden aan humanitaire hulp. Naar schatting 90% van de bevolking leefde onder de armoedegrens. Meer dan de helft van de bevolking had te kampen met voedselonzekerheid en bijna drie miljoen mensen had te maken met ernstige voedselonzekerheid. Tegelijk blijkt uit het ambtsbericht van mei 2025 dat verschillen bestonden tussen stedelijke en rurale gebieden; diensten waren over het algemeen in grotere steden geconcentreerd. Bovendien zijn internationale hulporganisaties actief in Syrië en niet is gebleken dat deze organisaties, anders dan aan de orde was in de zaak Sufi en Elmi, geen toegang hebben tot de getroffen gebieden. De humanitaire situatie in Aleppo is op zichzelf dan ook onvoldoende om een schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb (Voetnoot 12), gelet op wat is overwogen onder 8.1. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, gelet op wat is overwogen onder 8.2 en verder. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen op de zitting).
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
A.P. Kuiters, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.