Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:26405

Op 13 July 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.35987, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:26405. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.35987
Datum uitspraak:
13 July 2026
Datum publicatie:
11 September 2026

Indicatie

Bewaring; Somalische; vervolgberoep; spoedig behandelen hoger beroep i.v.m. overdrachtsdatum; geen lichter middel omdat de gronden van bewaring onverkort aanwezig zijn; verzwaarde belangenafweging blijkt uit het vertrekgesprek en M120, Niet gebleken is dat de minister de belangen van eiseres onvoldoende zorgvuldig heeft afgewogen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35987

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J. Willems).

Procesverloop

Procesverloop

De minister heeft op 18 mei 2026 aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiseres heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft zij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiseres heeft hierop gereageerd.

Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiseres stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 juni 2026 (in de zaak NL26.32519) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd overweegt de rechtbank als volgt.

Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste

5. De rechtbank verwijst hieromtrent naar haar eerdere uitspraak van 19 juni 2026 (in de zaak NL26.32519), rechtsoverweging 5. Daaraan voegt de rechtbank toe dat de minister bij brief van 16 juni 2026 de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft verzocht het hoger beroep zo spoedig mogelijk te behandeling waarbij is gewezen op de uiterste overdrachtsdatum en het feit dat eiseres in bewaring zit. Daarnaast heeft de minister op 18 juni 2026 een vertrekgesprek heeft gevoerd met eiseres. In wat eiseres nu heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding anders te oordelen. Gelet hierop is er zicht op uitzetting en werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.

Lichter middel

6. De rechtbank is, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 3 juni 2026 (in de zaak N26.27984), rechtsoverwegingen 8 tot en met 10, van oordeel dat de minister zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregel dan de inbewaringstelling doeltreffend kon worden toegepast. Dit betekent dat het risico dat eiseres zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken, onverkort aanwezig is. Eiseres heeft evenmin omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de bewaring onevenredig bezwarend moet worden geacht. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Belangenafweging

7. Over wat eiseres in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 18 juni 2026 blijkt dat de minister een belangenafweging heeft gemaakt. De rechtbank verwijst daarnaast naar de M120, waaruit bij het vermelde onder punt 10a naar haar oordeel ook blijkt dat die belangenafweging heeft plaatsgevonden. Niet gebleken is dat de minister de belangen van eiseres onvoldoende zorgvuldig heeft afgewogen. De hiervoor genoemde omstandigheden leiden de rechtbank tot het oordeel dat aan het belang van de minister bij voortduring van de maatregel meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiseres bij invrijheidsstelling. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

Ambtshalve toetsing

8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis , rechter, in aanwezigheid van

N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

13 juli 2026

Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.