Procesverloop
Procesverloop
De minister heeft op 16 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft de rechtmatigheid van deze maatregel van bewaring al eerder getoetst. Uit de uitspraak van deze zittingsplaats van 8 juni 2026 (in de zaak NL26.29692) volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek op 4 juni 2026 rechtmatig was.
Eiser heeft op 2 juli 2026 bij de rechtbank beroep ingediend tegen het voortduren van de maatregel.
De minister heeft een voortgangsrapportage ingediend. Eiser heeft op de kennisgeving een reactie gegeven.
De minister heeft buiten de door de rechtbank gestelde termijn een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 juli 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel
96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 8 juni 2026 van deze zittingsplaats (in de zaak NL26.29692) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De Marokkaanse autoriteiten hebben op 8 juni 2026 schriftelijk aangegeven dat de Marokkaanse nationaliteit niet is bevestigd. Vervolgens heeft de minister op 19 juni 2026 een laissez passer (lp) traject gestart bij Algerije. Er zijn geen aanknopingspunten op grond waarvan de minister een lp traject zou moeten starten bij de autoriteiten van Algerije nu eiser nimmer heeft aangegeven daar vandaan te komen en ook niet over documenten beschikt die dat zouden kunnen aantonen. Indien de minister van mening is dat eiser uit Algerije komt dan had de minister gelijker tijd het traject richting Algerije dienen op te starten op het moment dat het traject richting Marokko was opgestart.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste
6. Uit de voortgangsgegevens blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten op 8 juni 2026 te kennen hebben gegeven dat eisers nationaliteit niet kan worden bevestigd, waarna de minister een dossieronderzoek heeft uitgevoerd en vervolgens aanleiding heeft gezien om op 19 juni 2026 een aanvraag om afgifte van een lp in te dienen bij de Algerijnse autoriteiten. Het onderzoek bij de Algerijnse loopt nog en de minister heeft op 26 juni 2026 gerappelleerd bij deze autoriteiten. De rechtbank overweegt allereerst dat de minister voor wat betreft de afgifte van een lp afhankelijk is van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten. In ieder geval is niet op voorhand gebleken dat de Algerijnse autoriteiten te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eisers uitzetting. Daarnaast heeft de minister op 11 juni 2026 en op 17 juni 2026 vertrekgesprekken gevoerd met eiser. In het verslag van het vertrekgesprek van 17 juni 2026 is vermeld dat eiser is geconfronteerd met de verklaring van de Marokkaanse autoriteiten dat eisers nationaliteit niet kan worden bevestigd en hij desondanks heeft volgehouden de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Tevens heeft eiser verklaard zelf geen actie te hebben ondernomen of te willen ondernemen voor het verkrijgen van een reisdocument en dat de Dienst Terugkeer & Vertrek daarvoor moet zorgen. Tevens heeft eiser aliasgegevens opgegeven, wat de snelheid van een procedure tot het verkrijgen van een laissez-passer niet ten goede komt. Wat betreft eisers beroepsgrond dat de minister gelijktijdig met het traject bij Marokko een traject Algerije had moeten starten overweegt de rechtbank dat de minister hiervoor, gelet op eisers verklaringen over het bezitten van de Marokkaanse nationaliteit, geen aanleiding had hoeven te zien. Bovendien is de keuze welk uitzettingstraject op welk moment wordt gevolgd primair aan de minister. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat eiser die medewerking verleent, bijvoorbeeld bij het verkrijgen van relevante documenten. Gelet op het vorenstaande en mede in aanmerking nemend de
korte tijdsduur van de lp-procedure bij de Algerijnse autoriteiten, volgt de rechtbank eiser niet in zijn betoog dat het zicht op uitzetting naar Algerije in eisers geval ontbreekt of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Deze beroepsgronden slagen daarom niet.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.