Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:26772

Op 10 September 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.36137, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:26772. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.36137
Datum uitspraak:
10 September 2026
Datum publicatie:
15 September 2026

Indicatie

ongegrond – terugkeerbesluit – Spanje – rechtmatig verblijf - hoorplicht

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.36137

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Inleiding

In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van verweerder van 2 juni 2026, betreffende de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaarschrift van eiser tegen het besluit van 7 april 2026.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. (Voetnoot 1)

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1990, en bezit de Braziliaanse nationaliteit. In het besluit van 7 april 2026 heeft verweerder beoordeeld dat eiser niet langer in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit besluit geldt tevens als terugkeerbesluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Volgens verweerder heeft eiser geen belang meer bij de procedure nu geen sprake is van dreigende uitzetting naar Brazilië. Eiser verblijft namelijk in Spanje, alwaar hij een verblijfsvergunning zou hebben aangevraagd. Het terugkeerbesluit van 7 april 2026 geldt nog steeds.

2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit, voor zover in dit besluit is overwogen dat het terugkeerbesluit nog steeds geldt. Hij stelt dat hij alweer geruime tijd in Spanje verblijft en hij, onder meer vanwege zijn ziekte, bijzonder kwetsbaar is en dat eiser ook in Spanje onder behandeling is voor zijn hiv-infectie. Eiser stelt dat gezien zijn lange verblijf in Spanje en zijn zicht op een verblijfsrecht aldaar, een terugkeerbesluit in strijd is met zijn privéleven. Onder verwijzing naar de Vreemdelingencirculaire 2000 is eiser van mening dat, nu hij een aanvraag voor een verblijfsvergunning heeft lopen in Spanje, aan hem geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd en hem een bevel had moeten worden gegeven zich te begeven naar Spanje. Eveneens stelt eiser dat het bezwaar ten onrechte is afgedaan als kennelijk ongegrond, met als gevolg dat er ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, zodat hij zijn bezwaren niet verder heeft kunnen toelichten.

De rechtbank oordeelt als volgt.

3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen belang heeft bij de procedure nu eiser niet bedreigd wordt met uitzetting naar Brazilië. Om die reden heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit van 7 april 2026 terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

4. Uit artikel 6, tweede lid van de Terugkeerrichtlijn volgt dat een vreemdeling die rechtmatig verblijf of een andere toestemming tot verblijf heeft in een andere lidstaat, eerst een bevel moet worden gegeven zich naar die lidstaat te begeven. Eiser verblijft weliswaar in Spanje, maar heeft niet onderbouwd dat hem rechtmatig verblijf dan wel een andere toestemming tot verblijf is verleend in Spanje. Verweerder was dan ook bevoegd om eiser op grond van het bepaalde in artikel 62a, derde lid, van de Vw een terugkeerbesluit op te leggen. In de beroepsgronden zijn ook overigens geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat aan eiser geen terugkeerbesluit mocht worden opgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

5. Eiser klaagt tevergeefs dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden door hem met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Awb niet te horen in bezwaar. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen, mag verweerder met toepassing van dat artikelonderdeel alleen van het horen in bezwaar afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een ander besluit; zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 tot en met 5.3. Dat is hier het geval, omdat het betoog van eiser in bezwaar niet tot een ander besluit zou hebben geleid.

6. Het beroep is kennelijk ongegrond.

7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 10 september 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Hiddouch, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin

u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit

verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet

deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten,

kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoot

Voetnoot 1

Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).