RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Voetnoot 1). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard de Turkse nationaliteit te bezitten, van Koerdische afkomst te zijn en in Turkije veel discriminatie en racisme te hebben ervaren vanwege zijn Koerdische etniciteit. Hij heeft verklaard dat hij de Koerdische taal nooit heeft geleerd en dat hij problemen heeft ondervonden op school, op het werk en in het dagelijks leven als gevolg van deze discriminatie. Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij is opgeroepen voor militaire dienst. Bij terugkeer naar Turkije vreest hij voor zijn mentale welzijn, mede vanwege de discriminatie die hij als Koerd ervaart, maar ook vanwege de militaire dienst. Tot slot heeft eiser verklaard sympathie te hebben voor de HDP (Voetnoot 2). Zijn vader was lid van deze partij en eiser heeft zelf activiteiten verricht vanuit zijn sympathie voor de HDP.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Discriminatie vanwege Koerdische afkomst;
Sympathie en activiteiten voor HDP;
Ontduiking dienstplicht.
4.1.
De minister acht alle asielmotieven geloofwaardig, maar deze leiden niet tot vergunningverlening. Daarbij heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de problemen en discriminatie vanwege de Koerdische afkomst van eiser onvoldoende zwaarwegend zijn. Hoewel de minister heeft aangenomen dat eiser is gediscrimineerd vanwege zijn Koerdische etniciteit, heeft de minister niet aannemelijk geacht dat eiser hierdoor dusdanig werd beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren.
4.2.
Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het niet aannemelijk is dat eiser in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat of zal komen te staan. Eisers activiteiten zijn namelijk marginaal en niet openbaar van aard geweest. De minister acht ook relevant dat eiser Turkije legaal heeft verlaten met eigen paspoort en er geen strafrechtelijke procedure tegen hem loopt.
4.3.
Eiser heeft daarnaast zijn vrees voor de Turkse dienstplicht niet aannemelijk gemaakt, omdat uit eisers verklaringen niet blijkt dat eiser voldoet aan één van de drie voorwaarden genoemd in paragraaf C2/3.2.7 van de Vc (Voetnoot 3).
4.4.
De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond (Voetnoot 4) en een terugkeerbesluit, gericht op vertrek naar Turkije met een vertrektermijn van vier weken, aan eiser opgelegd.
Verwijzing naar de zienswijze
5. De rechtbank overweegt allereerst dat de stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of ontoereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep heeft aangevoerd.
Discriminatie vanwege Koerdische afkomst in Turkije
6. Eiser stelt dat de minister ten onrechte zijn ervaringen van discriminatie als geïsoleerd heeft beschouwd. Volgens eiser is er sprake van structurele en wijdverbreide discriminatie van Koerden in Turkije en niet van incidenten. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst hij naar het Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status en het Algemeen Ambtsbericht Turkije 2025. Daaruit volgt dat Koerden structureel worden achtergesteld en eisers sympathie voor HDP leidt tot verhoogd risico op repressie. De belemmering in zijn opleiding door racisme is door de minister ten onrechte afgedaan als een individueel probleem dat vermijdbaar was.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ondervonden discriminatie zo ernstig is dat dit als een daad van vervolging kan worden aangemerkt. Eiser is namelijk niet dusdanig in zijn bestaansmogelijkheden beperkt dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied heeft kunnen functioneren. Zo heeft hij onderwijs kunnen volgen, kunnen werken en toegang tot huisvesting en zorg gehad. Verder heeft hij ook zonder problemen documenten kunnen verkrijgen van de Turkse autoriteiten. Dat in zijn algemeenheid sprake is van discriminatie tegen Koerden in Turkije maakt nog niet dat in het individuele geval van eiser sprake is van een daad van vervolging. De beroepsgrond slaagt niet.
Sympathie en activiteiten voor HDP
7. Eiser stelt - kort gezegd - dat in Turkije zelfs beperkte politieke activiteiten al kunnen leiden tot problemen, ook voor gewone HDP-sympathisanten zoals hij. De minister heeft dit volgens hem onderschat door zijn activiteiten als marginaal te bestempelen. Van een individueel aantoonbaar “onder de aandacht komen” hoeft niet steeds sprake te zijn om toch een gegronde vrees voor vervolging aan te nemen. De minister heeft nagelaten te onderkennen dat eiser, als zoon van een HDP-lid en zelf sympathisant, behoort tot een duidelijk geïdentificeerde risicogroep. Daarbij heeft de minister nagelaten zijn situatie te beoordelen in de bredere context van repressie tegen HDP-aanhangers.
7.1.
Voor zover eiser betoogt dat de minister de positie van HDP-sympathisanten in Turkije heeft onderschat, volgt de rechtbank hem daarin niet. De minister heeft onderkend dat personen die betrokken zijn bij activiteiten van de HDP kunnen behoren tot een risicoprofiel als bedoeld in paragraaf C7/34.3.2 van de Vc. Ook volgt uit de aangehaalde landeninformatie dat familieleden van HDP-partijleden onder omstandigheden in de negatieve aandacht van de autoriteiten kunnen staan. De minister heeft deze omstandigheden dan ook kenbaar bij de beoordeling betrokken.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat partijen het eens zijn dat eiser behoort tot het hiervoor genoemde risicoprofiel. Dit neemt echter niet weg dat eiser aannemelijk dient te maken dat hij vanwege zijn politieke overtuiging persoonlijk in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten en een gegronde vrees voor vervolging heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser daarin niet is geslaagd. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiser slechts in beperkte mate politiek actief is geweest. Eiser heeft verklaard te hebben deelgenomen aan één demonstratie en incidenteel ondersteunende werkzaamheden voor de HDP te hebben verricht. Niet is gebleken dat hij lid was van de partij, een prominente rol vervulde of anderszins politiek zichtbaar was. Evenmin is gebleken dat eiser vanwege deze activiteiten problemen heeft ondervonden met de autoriteiten. Eiser is nooit aangehouden of heeft anderszins in de negatieve aandacht van de autoriteiten gestaan. Dat eisers vader lid was van de HDP maakt dit niet anders. Eiser heeft zelf geen problemen ondervonden vanwege de activiteiten van zijn vader. De rechtbank betrekt daarbij ook dat eisers vader al in 2020 Turkije heeft verlaten, terwijl eiser daarna nog geruime tijd zonder problemen in Turkije heeft verbleven. Ook heeft eiser Turkije op legale wijze kunnen verlaten, hetgeen eveneens geen aanwijzing vormt dat hij ten tijde van zijn vertrek in de negatieve belangstelling van de autoriteiten stond. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg (Voetnoot 5), gaat in dit geval niet op, omdat het niet om vergelijkbare gevallen gaat. In die zaak had de vreemdeling - in tegenstelling tot eiser - in Turkije problemen ondervonden vanwege zijn vele politieke activiteiten voor de HDP.
7.3.
Ten slotte heeft de minister in de besluitvorming mogen betrekken dat eiser heeft verklaard in Nederland geen politieke activiteiten te ontplooien. In de door eiser in beroep overgelegde brief van de Raad van Gemeenschappen van Koerdistan heeft de minister geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. Hoewel daarin wordt vermeld dat eiser in Nederland heeft deelgenomen aan legale democratische acties, volgt daaruit niet wat dit voor concrete acties zijn geweest. Ook volgt daaruit niet dat eiser een prominente of anderszins zichtbare rol heeft vervuld. Evenmin bevat de brief concrete aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser vanwege deze gestelde activiteiten in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten is komen te staan of bij terugkeer zal komen te staan. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers politieke betrokkenheid beperkt van aard is en onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat hij bij terugkeer in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten zal komen te staan. De beroepsgrond slaagt niet.
Ontduiking dienstplicht
8. Eiser stelt dat de minister de zogenoemde Antikian-criteria onjuist en te beperkt heeft toegepast, waardoor zijn diepgewortelde ethische en religieuze gewetensbezwaren tegen militaire dienst - met name het risico om tegen Koerden te moeten optreden - onvoldoende zijn meegewogen en ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Eiser stelt dat (Koerdische) dienstweigeraars in Turkije een reëel risico lopen op vervolging en detentie. Een civiel alternatief is niet voorhanden, zoals blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije 2025. Daarnaast voert eiser aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden dat hij niet over de financiële middelen beschikt om de militaire dienstplicht af te kopen.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zwaarwegende en onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de militaire dienstplicht heeft. Daarbij heeft de minister van belang mogen achten dat eiser zelf heeft verklaard geen gewetensbezwaren tegen het vervullen van de militaire dienstplicht te hebben, maar voornamelijk vreest te worden ingezet tegen Koerden. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat de minister de Antikian-criteria onjuist of te beperkt heeft toegepast.
8.2.
Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij vervulling van zijn dienstplicht zal worden ingezet tegen Koerden, betrokken zal raken bij mensenrechtenschendingen of anderszins zal moeten deelnemen aan handelingen die strijdig zijn met zijn gestelde overtuigingen. Uit de door de minister betrokken landeninformatie volgt dat dienstplichtigen in beginsel niet worden ingezet bij gevechtshandelingen. De stelling dat eiser mogelijk zal worden ingezet in gebieden waar het Turkse leger optreedt tegen Koerdische groeperingen, heeft eiser niet nader onderbouwd.
8.3.
Voor zover eiser stelt dat Koerdische dienstweigeraars een verhoogd risico lopen op vervolging of ernstige schade, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit niet volgt uit de door hem betrokken landeninformatie. Ook de stelling dat eiser de dienstplicht niet kan afkopen wegens gebrek aan financiële middelen is niet nader onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Toetsing aan internationale rapporten en verplichtingen
9. Eiser betoogt dat de minister zijn beoordeling onvoldoende heeft getoetst aan de verplichtingen die voortvloeien uit EU-Verordening 2021/2303 en daarbij onder meer het UNHCR-Handboek en de ‘Nasleep na de legercoup in Turkije’ buiten beschouwing heeft gelaten.
9.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit de besluitvorming volgt dat het Algemeen Ambtsberichten Turkije van 2023 en 2025 kenbaar en gemotiveerd bij de beoordeling zijn betrokken. Daarnaast is de in beroep aangehaalde informatie al in de zienswijze aangevoerd en is de minister daar in het bestreden besluit op ingegaan. Eiser heeft niet nader geconcretiseerd wat maakt dat de motivering van de minister in het bestreden besluit onvoldoende is. Voor zover eiser met verwijzing naar deze informatie stelt dat de situatie voor Koerden, HDP-sympathisanten en dienstplichtigen in Turkije is verslechterd, heeft hij niet concreet onderbouwd waarom deze algemene informatie in zijn individuele geval tot een ander oordeel zou moeten leiden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die afdoen aan de conclusie van de minister dat niet aannemelijk is geworden dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 6). Verder stelt de rechtbank vast dat het EUAA (Voetnoot 7) geen nadere algemene rapporten heeft uitgebracht over Turkije. Eiser heeft dan ook onvoldoende onderbouwd met welke internationale rapporten de minister nog meer rekening had moeten houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Onrechtmatig terugkeerbesluit
10. Eiser stelt dat de minister ten onrechte en in strijd met de artikelen 3 van het EVRM, en ook artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, een terugkeerbesluit tegen hem heeft uitgevaardigd en daarbij een vertrektermijn heeft opgelegd.
10.1.
De rechtbank volgt eiser hierin niet. Zoals uit het voorgaande volgt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. In aanvulling op hetgeen al in het kader van de beoordeling van zijn asielaanvraag is aangevoerd, heeft eiser geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat terugkeer naar Turkije toch tot een refoulementrisico leidt.
10.2.
Voor zover eiser ter zitting heeft aangevoerd dat de Turkse autoriteiten mogelijk vragen zullen stellen over zijn verblijf buiten Turkije gedurende de afgelopen jaren en dat onduidelijk is of zijn paspoort nog geldig is, overweegt de rechtbank dat deze stellingen niet nader zijn onderbouwd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij om die reden in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten zal komen te staan of dat hem daardoor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te wachten staat. Dit volgt ook niet zonder meer - zoals eiser stelt - uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 2025. (Voetnoot 8) In het ambtsbericht is uiteengezet dat er geen volledig beeld is te krijgen over eventuele problemen van Turkse staatsburgers bij terugkeer. De informatie die wel is weergegeven is gebaseerd op één bron. Die bron geeft aan dat afgewezen asielzoekers bij terugkeer naar Turkije niet noodzakelijkerwijs problemen hoefden te ondervinden met de Turkse autoriteiten. De rechtbank overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer problemen zal ondervinden met de Turkse autoriteiten. De enkele mogelijkheid dat bij terugkeer vragen worden gesteld over zijn verblijf in het buitenland of dat hij reisdocumenten zal moeten verkrijgen, is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.