Beoordeling
1. Eiser heeft op 3 juni 2026 in Nederland asiel aangevraagd. Sinds 12 juni 2026 is op de beoordeling van eisers asielverzoek de Asiel- en migratiebeheerverordening (Voetnoot 1) (Ambv) van toepassing. De Ambv regelt welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming. Aan de hand van eisers registratie in Eurodac heeft verweerder vastgesteld dat eiser dat eiser eerder in Duitsland heeft gevraagd om internationale bescherming. Nederland heeft bij de Duitse autoriteiten een kennisgeving inzake de terugname van eiser gedaan. Duitsland heeft deze kennisgeving bevestigd.
2. Eiser bestrijdt in beroep niet dat Duitsland de verantwoordelijke lidstaat is, maar hij meent dat verweerder gebruik dient te maken van de discretionaire bevoegdheid, neergelegd in artikel 35 van de Ambv, om de asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen. De rechtbank zal hieraan voorbijgaan. De Uniewetgever heeft met artikel 43 van de Ambv de toepassing van bedoelde discretionaire bevoegdheid uitgesloten van rechterlijke toetsing.
3. Eiser zegt in zijn beroepschrift verder te vrezen voor een schending van artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 2) bij terugkeer naar Duitsland. Hij stelt in dat verband problemen te hebben met familieleden in Duitsland. Eiser meent dat het bestreden besluit niet zorgvuldig tot stand is gekomen doordat hierover geen navraag is gedaan bij de Duitse autoriteiten. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat overdracht aan Duitsland leidt tot schending van zijn grondrechten die neerkomt op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest (Voetnoot 3), zoals ook verboden bij artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft de gestelde problemen niet geconcretiseerd en onderbouwd. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij tegen bedoelde problemen niet de bescherming van de Duitse autoriteiten zal kunnen inroepen.
4. Het beroep zal dan ook ongegrond worden verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 september 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.