Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:26954

Op 10 September 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.51594, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:26954. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.51594
Datum uitspraak:
10 September 2026
Datum publicatie:
16 September 2026

Indicatie

bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting en voortvarend handelen, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.51594

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Procesverloop

Op 26 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 9 september 2026 gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. (Voetnoot 1)

1.1.

De rechtbank heeft de vreemdelingenbewaring van eiser eerder getoetst. Uit de uitspraak van 7 juli 2026 volgt dat de bewaring tot het moment van sluiten van dat onderzoek, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van vreemdelingenbewaring sinds het moment van sluiten van dat onderzoek, op 2 juli 2026 rechtmatig is. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 2 juli 2026 tot 9 september 2026.

2. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat en dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hij wijst er op dat op 2 juli 2026 een laissez-passer (lp) aanvraag verzonden is naar de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, maar dat er nog geen lp is afgegeven en dat er ook niet door verweerder wordt gerappelleerd. Hij stelt dat hij wel meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit. Zo heeft hij zelf contact opgenomen met de politie in Leicester en het telefoonnummer daarvan aan verweerder doorgegeven. Verder probeert hij via een vriend zijn geboorteakte te verkrijgen. Eiser stelt dat hij vanuit vrijheid zijn terugkeer gemakkelijker kan regelen dan vanuit detentie.

2.1.

De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat geen redelijk vooruitzicht op uitzetting bestaat. Dat de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk nog geen lp hebben afgegeven, is onvoldoende voor de conclusie dat in eisers geval geen zicht op uitzetting meer bestaat. Het lp-traject loopt nog maar enkele maanden. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat niet binnen een redelijke termijn een lp voor eiser afgegeven kan worden. Daarbij wordt opgemerkt dat eiser zelf heeft aangegeven dat hij binnenkort over zijn geboorteakte kan beschikken, waarmee het – zo leidt de rechtbank af uit de stukken – mogelijk of gemakkelijker wordt een paspoort of een lp voor hem te verkrijgen. De omstandigheid dat eiser medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, brengt in dit stadium van de vreemdelingenbewaring niet mee dat er geen zicht op uitzetting meer aanwezig is.

2.2.

De rechtbank ziet evenmin grond voor de conclusie dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Uit het voortgangsrapport volgt dat verweerder in de te toetsen periode op 31 juli 2026 en 27 augustus 2026 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd. Uit het beroepschrift maakt de rechtbank op dat verweerder eiser heeft gewezen op het belang van het kunnen beschikken over een geboorteakte. Verder blijk uit het verslag van het vertrekgesprek van 31 juli 2026 dat verweerder bezig is om samen met eiser een paspoortaanvraag in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting.

2.3.

De beroepsgronden slagen niet.

3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor het voortduren van deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 2)

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Stehouwer, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.

Voetnoot 2

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.