Beoordeling door de rechtbank
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. (Voetnoot 2) Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. (Voetnoot 3) Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. (Voetnoot 4) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 5)
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle gronden.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift grond a laten vallen.
5. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om de gronden van de maatregel onvoldoende te achten. Verweerder heeft grond b terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Deze grond is feitelijk juist omdat eiser zich niet aan de hem gegunde vertrektermijn van één maand in de beschikking van 9 juli 2026 heeft gehouden. Dat eiser aanvoert nog niet in de gelegenheid te zijn geweest om hieraan gevolg te geven doet geen afbreuk aan de feitelijke juistheid van deze grond. Ook grond p is terecht aan de maatregel ten grondslag gelegd. Deze grond is juist. Anders dan eiser aanvoert heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser niet in het bezit is van een geldig identiteitsdocument en daarmee niet voldoet aan de voorwaarde genoemd in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Door partijen wordt de juistheid van grond r en s niet betwist. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser niet in het bezit is van een vaste woon- of verblijfplaats en zich daarmee aan het toezicht onttrekt en de voorbereiding van zijn vertrek of de verwijderingsprocedure belemmert. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat wegens het gebrek aan duurzame middelen van bestaan een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken dan wel dat zijn vertrek wordt bemoeilijkt. Deze gronden kunnen de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat.
6. Eiser voert verder aan dat gelet op zijn geschetste medische problematiek ten onrechte niet is volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Eiser had kunnen worden doorgeleid naar passende hulpverlening.
7. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Daartoe heeft verweerder van belang kunnen achten dat uit de gronden van de maatregel een onderduikrisico volgt. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel. Eiser heeft deze stelling niet nader onderbouwd. Ten aanzien van eisers medische omstandigheden heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat eiser detentieongeschikt is en dat in het detentiecentrum adequate medische zorg aanwezig is waar eiser een beroep op kan doen. Voor zover eiser meent dat de (toegang tot de) zorg in het detentiecentrum onvoldoende is, kan hij hierover klagen bij (de directie van) het detentiecentrum.
8. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat nergens uit blijkt dat hij op korte termijn kan worden uitgezet naar Polen.
9. Voor zover eiser zich met dit standpunt beroept op het ontbreken van zicht op uitzetting naar Polen binnen een redelijke termijn heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat geen sprake is van concrete aanwijzingen waaruit volgt dat de Poolse autoriteiten eiser niet spoedig zullen terugnemen. Verweerder heeft daarbij de rechtbank geïnformeerd dat op 22 september 2026 is verzocht om voor eiser een terugnameverzoek bij Polen in te dienen.
10. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 6)
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 september door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.