Beoordeling door de rechtbank
1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. (Voetnoot 2) In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. (Voetnoot 3)
2. Op grond van het Vb (Voetnoot 4) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. (Voetnoot 5) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 6)
3. In artikel 94, eerste lid, van de Vw is onder meer bepaald dat verweerder onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel zoals bedoeld in artikel 59a van de Vw, de rechtbank hiervan in kennis stelt.
4. De rechtbank stelt vast dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op 14 september 2026 om 13:30 uur is opgelegd en dat verweerder de rechtbank diezelfde dag om 20:06 uur hiervan in kennis heeft gesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 17 september 2026 geoordeeld dat een kennisgeving onverwijld is verstuurd indien deze binnen 6 uur na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. (Voetnoot 7) In dit geval is de kennisgeving 6 uur en 36 minuten na oplegging van de maatregel verstuurd. Dit betekent dat verweerder de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring. Dit maakt de maatregel op zichzelf evenwel nog niet onrechtmatig. Het niet nakomen van de verplichting om de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van een vrijheidsontneming maakt de vrijheidsontnemende maatregel alleen onrechtmatig als de maatregel, gelet op de ernst van het gebrek en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet meer gerechtvaardigd is.
5. De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat eiser door deze gang van zaken is geschaad in zijn verdediging. De rechtbank kan zonder problemen nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel uitspraak doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring en verder is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om de maatregel op te heffen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
6. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser betwist de gronden a en s.
8. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden p en r niet inhoudelijk heeft betwist. Deze gronden zijn juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel. De gronden p en r zijn voldoende om de maatregel te dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico op onderduiken bestaat. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de gronden a en s behoeft daarom geen bespreking meer.
9. Eiser voert aan dat de medische zorg in het detentiecentrum niet gelijkwaardig is
aan de medische zorg in de vrije maatschappij.
10. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Uit vaste rechtspraak volgt dat de medische zorg in een detentiecentrum in beginsel gelijkwaardig moet worden geacht aan de zorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft geen medische stukken overgelegd of op een andere manier aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare medische zorg niet toereikend is of dat hij niet in staat kan worden geacht de bewaring op verantwoorde wijze te ondergaan. Indien eiser meent dat de zorg in het detentiecentrum onvoldoende is, kan hij hierover klagen bij (de directie van) het detentiecentrum.
11. Eiser voert verder aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
12. Eiser wordt hierin evenmin gevolgd. Gelet op de gronden van de maatregel is sprake van een risico op onderduiken. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om dit risico te ondervangen. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Verblijfsvergunning in Italië
13. Eiser voert aan dat hij een verblijfsvergunning heeft in Italië. Hij heeft dit tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel meegedeeld aan verweerder, maar verweerder heeft daar niet tijdig iets mee gedaan. Verweerder heeft dan ook niet voortvarend gehandeld. Op 23 september 2026 om 18:46 uur, na afloop van de zitting, heeft eiser in het digitale dossier een scan van een Italiaanse verblijfspas en een Italiaanse zorgpas geüpload. Op de verblijfspas staat vermeld dat het een verblijfsvergunning ‘prot. sussidiaria’ betreft en dat de pas geldig is tot 30 november 2028.
14. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verklaard dat hij in het bezit is van een Italiaanse verblijfsvergunning, maar dat hij voor deze stelling geen onderbouwing heeft geleverd. Verweerder heeft verder terecht gewezen op de Eurodac-resultaten van 4 september 2026, waaruit niet blijkt dat eiser door de Italiaanse autoriteiten in het bezit zou zijn gesteld van een verblijfsvergunning. Verweerder mocht er op dat moment dan ook vanuit gaan dat eiser geen verblijfsvergunning had in Italië. Met de door eiser op 23 september 2026 overgelegde documenten heeft eiser thans wel voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een verblijfsrecht heeft in Italië. Dit brengt mee dat vanaf 23 september 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring niet langer gebaseerd kon worden op artikel 59a, eerste lid, van de Vw. Verweerder is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door eiser overgelegde stukken, maar binnen de gegeven termijn is geen reactie van verweerder ontvangen. Het is daarmee onduidelijk of verweerder nog vast blijft houden aan overdracht van eiser aan Frankrijk in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening of dat bezien zal worden of eiser als statushouder naar Italië kan worden overgedragen. Gezien de onduidelijkheid over het traject dat verweerder wil volgen en de onzekerheid over hoe lang dit duurt, is op dit moment tevens geen sprake van zicht op overdracht binnen een redelijke termijn.
15. Het bovenstaande betekent dat de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van 23 september 2026 onrechtmatig is geworden.
16. Met inachtneming van de ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van vreemdelingenbewaring op een eerder moment dan op 23 september 2026 onrechtmatig is geworden.
17. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf 23 september 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.
18. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 6 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring
ten bedrage 6 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 720.
19. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eiser, vanwege de kennisgeving, geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 720 aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan op 28 september 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.