Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:28571

Op 25 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.46575, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:28571. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.46575
Datum uitspraak:
25 August 2026
Datum publicatie:
28 September 2026

Indicatie

Bewaring; vervolgberoep; Tunesië; aanvraag met vingerslips; DIA; tijdsverloop tussen inbewaringstelling en verzenden lp aanvraag; rechtsplicht; geen lichter middel

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.46575

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).

Procesverloop

Procesverloop

De minister heeft op 23 juli 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1991] .

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 23 juli 2026 (in de zaak NL26.38726) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting is en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Pas na 10 dagen detentie heeft de minister een aanvraag om een laissez passer (lp) ingediend bij de autoriteiten van Tunesië. Inmiddels is sinds deze lp aanvraag bijna een maand verstreken terwijl van de zijde van de Tunesische autoriteiten in het geheel niets is vernomen. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat de minister kan volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser is bereid om mee te werken aan een meldplicht. Tot slot meent eiser dat een belangenafweging reeds in zijn voordeel dient uit te vallen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

Zicht op uitzetting en het voortvarendheidsvereiste

6. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eiser op 11 juli 2026 in bewaring is gesteld. In de periode gelegen tussen 11 juli 2026 en 20 juli 2026 is de minister gestart met de voorbereiding van de aanvraag van een laissez passer (lp) door vingerslips van eiser af te nemen. Vervolgens heeft de minister op 20 juli 2026 een lp aanvraag naar de Directie Internationale Aangelegenheden verzonden welke aanvraag op 22 juli 2026 is doorgeleid naar de Tunesische autoriteiten. Anders dan eiser stelt, acht de rechtbank het

tijdsverloop gelegen tussen de inbewaringstelling van eiser en de daadwerkelijke verzending van de lp aanvraag naar de Tunesische autoriteiten, niet dermate lang dat

eisers bewaring om die reden op enig moment onrechtmatig is geworden. Dat de Tunesische autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de lp aanvraag is op zichzelf niet doorslaggevend, te meer deze autoriteiten evenmin op voorhand te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken. De minister heeft naast het vorenstaande op 15 juli 2026 en 17 augustus 2026 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. De rechtbank benadrukt dat op eiser de rechtsplicht rust om Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer mee dat hij actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. Op dit moment is niet gebleken dat eiser die medewerking verleent. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Tunesië in eisers geval of dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De beroepsgronden slagen daarom niet.

Lichter middel

7. Wat betreft eisers beroepsgrond dat hij bereid is om mee te werken aan een meldplicht en dat daarom volstaan kan worden met een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 23 juli 2026 (in de zaak NL26.38726), rechtsoverweging 8. Deze situatie geldt nog steeds. In hetgeen thans door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank daarom geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging

8. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze

bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

Ambtshalve toetsing

9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van

N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

25 augustus 2026

Documentcode:
Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.