Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:28776

Op 28 September 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.55545, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:28776. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.55545
Datum uitspraak:
28 September 2026
Datum publicatie:
29 September 2026

Indicatie

bewaring, ophouding, voortvarend handelen, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.55545

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.D. Kupelian),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. (Voetnoot 1)

Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling. Eiser heeft zijn gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 25 september 2026 om 10:10 uur gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

1. Verweerder kan de vreemdeling op wie de Asiel- en migratiebeheerverordening van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in vreemdelingenbewaring stellen met inachtneming van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening. (Voetnoot 2) In de Asiel- en migratiebeheerverordening staat dat de lidstaten wanneer er een onderduikrisico bestaat of indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde, de lidstaten de betrokken persoon in vreemdelingenbewaring kunnen houden om overdrachtsprocedures overeenkomstig deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling van de situatie van de betrokken persoon en enkel voor zover vreemdelingenbewaring evenredig is en andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. (Voetnoot 3)

1.1.

Op grond van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan een vreemdeling in vreemdelingenbewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening indien er een onderduikrisico bestaat of dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. (Voetnoot 4) De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen. (Voetnoot 5)

1.2.

Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. (Voetnoot 6)

Ophouding

2. Eiser voert aan dat het proces-verbaal van de ophouding een onjuiste tijdsaanduiding bevat. Hierin staat vermeld dat eiser op 19 september 2026 om 16:25 uur is overgenomen, terwijl de verbalisant zelf heeft vermeld dat dit 18 september had moeten zijn. Eiser volstaat met het constateren van deze onjuistheid.

2.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Hoewel inderdaad uit de eerste pagina van het proces-verbaal volgt dat de activiteiten omtrent de ophouding hebben plaatsgevonden op 19 september 2026, volgt ook meermaals uit hetzelfde proces-verbaal dat dit op 18 september 2026 heeft plaatsgevonden. Op de derde pagina is, zoals eiser zelf ook aangeeft, uitdrukkelijk opgenomen dat de datum van 19 september 2026 abusievelijk is aangemaakt als dag van overname met de opmerking dat dit 18 september 2026 moet zijn. De onjuistheid is daarmee reeds in het proces-verbaal geconstateerd en deze verschrijving is in hetzelfde document nog rechtgezet. Verweerder stelt terecht dat is gesteld noch gebleken dat eiser door deze verschrijving in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

De maatregel van bewaring

3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.

3.1.

In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

3.2.

Eiser betwist grond c die aan de maatregel ten grondslag is gelegd. Ter toelichting voert hij aan dat verweerder onterecht stelt dat hij onvoldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit, mede omdat hij niet over een paspoort beschikt en geen contact wenst met de Algerijnse consulaire vertegenwoordiging. Uit het dossier blijkt dat hij zowel in Duitsland als Spanje positief in Eurodac is geïdentificeerd. Nu de bewaring is gericht op overdracht aan Duitsland en niet op verwijdering naar Algerije valt volgens eiser niet in te zien waarom het niet willen spreken met de Algerijnse vertegenwoordiging de vaststelling van zijn identiteit dan wel de overdracht aan Duitsland daadwerkelijk belemmert.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht stelt dat grond c feitelijk juist is en aan eiser kan worden tegengeworpen. Eiser beschikt niet over een paspoort en ook is niet gebleken dat eiser enige inspanning heeft verricht om aan nieuwe identiteitsdocumenten te komen. Als gevolg hiervan dient verweerder een laissez passez aanvraag op te starten voordat de overdracht kan plaatsvinden. Dit vormt een belemmering voor overdracht aan Duitsland.

3.4.

De bestreden grond c en de niet (inhoudelijk) bestreden gronden a, r en s, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Voortvarend handelen

4. Eiser wenst zo spoedig mogelijk naar Duitsland terug te keren en zal zijn volledige medewerking aan die overdracht verlenen. Hij begrijpt dat zijn bewaring is gericht op overdracht aan Duitsland en verzet zich daar niet tegen. Eiser verzoekt verweerder de overdracht met de vereiste voortvarendheid ter hand te nemen en eiser niet langer in bewaring te houden dan voor de daadwerkelijke overdracht noodzakelijk is.

4.1.

Voor zover eiser een beroep doet op het onvoldoende voortvarend handelen van verweerder, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser bevindt zich sinds 18 september 2026 in bewaring. De rechtbank neemt in aanmerking dat verweerder op 22 september 2026 een claimverzoek heeft gestuurd naar Duitsland en in afwachting is van een reactie van de Duitse autoriteiten (die wordt verwacht binnen twee weken). Vervolgens heeft verweerder een vertrekgesprek gehouden op 23 september 2026. In dit vertrekgesprek heeft de regievoerder uitgelegd dat indien er geen reactie binnen twee weken is ontvangen van de Duitse autoriteiten dat dit gelijk staat aan een fictief akkoord waarna verweerder een overdrachtsbesluit zal opmaken. De rechtbank ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of andere overdrachtshandelingen had dienen te verrichten om de overdracht te bespoedigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. (Voetnoot 7)

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. E. op den Kamp, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 2

Dit volgt uit artikel 59a, eerste lid, van de Vw.

Voetnoot 3

Dit staat in artikel 44, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

Voetnoot 4

Dit staat in artikel 5.5, vierde lid, van het Vb.

Voetnoot 5

Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.

Voetnoot 6

Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.

Voetnoot 7

Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.