Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:28786

Op 19 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.22971, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:28786. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.22971
Datum uitspraak:
19 March 2026
Datum publicatie:
29 September 2026

Indicatie

Asiel. Nigeria. IPOB. Politieke overtuiging. Eiser is tijdens gehoor niet bevraagd over welke activiteiten hij bij terugkeer wil verrichten of hoe hij anderszins zijn opvattingen, mening of gedachte zou willen uiten en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Gegrond.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.22971

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V.M. Oliana),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. W. van Hoof).

Procesverloop

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.

1.1.

Eiser heeft de Nigeriaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Hij heeft op 28 juli 2020 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 22 april 2025 (het bestreden besluit) afgewezen als ongegrond. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroep ingesteld.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij lid is van IPOB1 en daardoor problemen heeft ondervonden. Hij is opgepakt en bedreigd vanwege zijn lidmaatschap. Eiser is vrijgelaten nadat zijn vader een document had ondertekend om te garanderen dat eiser zich niet meer met IPOB zou inlaten. Maanden daarna heeft de politie eiser opnieuw proberen op te pakken. Dat is niet gelukt, want eiser zag de politie aankomen en kon vluchten. Zijn vader is wel meegenomen en in de gevangenis terechtgekomen, omdat hij de garantie had ondertekend. Eiser heeft nog een paar maanden in Nigeria verbleven, maar is daarna gevlucht. Als eiser terug moet keren naar Nigeria vreest hij te worden opgepakt door de politie.

1. Indigenous People of Biafra.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. problemen vanwege activiteiten bij IPOB.

4. De minister acht asielmotief 1 geloofwaardig. De minister acht het lidmaatschap van eiser bij IPOB in Nigeria en de daaruit voortvloeiende problemen echter niet geloofwaardig. De minister heeft hierbij betrokken dat eiser geen documenten met betrekking tot zijn lidmaatschap heeft overgelegd. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser op dit punt geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Hij heeft namelijk tegenstrijdig verklaard over de werkwijze van IPOB, wisselend verklaard over zijn ontsnapping aan de politie en ongerijmd verklaard over het oppakken van zijn vader. Weliswaar is eiser thans via sociale media actief voor IPOB en heeft hij in Nederland deelgenomen aan demonstraties van IPOB, maar daarmee is nog niet aannemelijk dat hij bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft. Eiser heeft zich namelijk niet meer dan anderen geprofileerd en speelt geen onderscheidende rol binnen de organisatie in Nederland.

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft hiertegen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank bespreekt deze beroepsgronden hierna.

Geloofwaardigheidsbeoordeling

6. Eiser stelt dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling, die is neergelegd in werkinstructie (WI) 2024/6, in zijn algemeenheid ongeschikt en in strijd met het Unierecht is.

7. Er is geen grond voor het oordeel dat de toepassing van WI 2024/6 in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank verwijst naar haar uitspraak van 10 juni 2025.2 De beroepsgrond slaagt niet.

Problemen vanwege activiteiten bij IPOB in Nigeria

8. Eiser stelt dat zijn problemen in Nigeria vanwege zijn activiteiten bij IPOB geloofwaardig geacht moeten worden. Hij verkeert in bewijsnood en heeft een verschoonbare reden gegeven waarom hij geen bewijs kan overhandigen van zijn activiteiten voor IPOB in Nigeria. Eiser heeft namelijk geen contact meer met de personen die destijds bij IPOB betrokken waren en weet niet waar zij zich bevinden en of zij nog in leven zijn. Eiser heeft dus enkel zijn verklaringen om zijn activiteiten voor IPOB in Nigeria aannemelijk te maken. Hij heeft hierover uitgebreid en gedetailleerd verklaard en daarom moet hem het voordeel van de twijfel worden gegund. De verklaringen van eiser met betrekking tot het lidmaatschap van IPOB in Nigeria zijn niet tegenstrijdig, hij heeft niet vaag en wisselend verklaard over zijn ontsnapping aan de politie en de verklaringen over het oppakken van zijn vader zijn niet ongerijmd. Als alle verklaringen van eiser in samenhang worden bekeken en als de algemene informatie over Nigeria wordt betrokken bij de beoordeling, dan is sprake van een geloofwaardig geheel.

2 ECLI:NL:RBDHA:2025:10057.

9. De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling heeft mogen betrekken dat eiser geen documenten over zijn lidmaatschap van IPOB in Nigeria heeft overgelegd. De stelling van eiser dat hij in bewijsnood verkeert, volgt de rechtbank niet. Dat de personen die lid waren van de IPOB ten tijde van eisers lidmaatschap inmiddels geen lid meer zijn, betekent niet dat eiser niet op andere manieren aan informatie over zijn lidmaatschap kan komen. Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd dat hij dit heeft geprobeerd.

10. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de verklaringen van eiser over zijn lidmaatschap van IPOB in Nigeria en de daaruit voortvloeiende problemen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarbij heeft de minister onder meer mogen betrekken dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over IPOB en niet op de hoogte is van ontwikkelingen bij IPOB. Eiser heeft namelijk verklaard dat hij vier jaar heeft gewacht om zich bij IPOB aan te sluiten, omdat hij zeker wilde weten dat het een vreedzame organisatie was, maar hij is niet op de hoogte van de gewelddadige acties van IPOB die in het Algemeen Ambtsbericht Nigeria januari 2023 worden vermeld. Dat de gewapende tak binnen IPOB pas is opgericht na eisers vertrek uit Nigeria, betekent niet dat eiser hiervan niet op de hoogte kan zijn. Eiser is immers in Nederland betrokken bij IPOB. Verder heeft de minister mogen tegenwerpen dat eiser vaag en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn ontsnapping aan de politie. Zo heeft eiser aan de ene kant verklaard dat hij één, twee of drie politieauto’s heeft gezien en aan de andere kant dat hij niet zeker weet of het de politie was die naar hem toe kwam. Anders dan eiser aanvoert, is hierover voldoende doorgevraagd tijdens het gehoor. Daarnaast heeft de minister mogen betrekken dat eiser ongerijmd heeft verklaard over het oppakken van zijn vader. Eerst heeft eiser namelijk verklaard dat de autoriteiten niemand respecteren, ook ouderen niet, terwijl hij daarna heeft verklaard dat hij dacht dat ze zijn vader, in verband met diens leeftijd, slechts een korte detentieperiode zouden geven of buiten schot zouden laten. De beroepsgrond slaagt niet.

Politieke overtuiging

11. Eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Nigeria te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging. De minister heeft onzorgvuldig gehandeld door hem niet te horen over de manier waarop hij bij terugkeer zijn politieke overtuiging wenst te uiten. Dat is in strijd met informatiebericht (IB) 2024/10.

12. De minister heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat de politieke overtuiging van eiser in het voornemen en het bestreden besluit uitgebreid is behandeld. Eiser is weliswaar niet expliciet bevraagd over de wijze van uiting van zijn politieke overtuiging bij terugkeer naar Nigeria, maar dit is ook niet in alle gevallen noodzakelijk. In dit geval is eiser wel uitgebreid gehoord over zijn politieke overtuiging en activiteiten bij IPOB. Hierdoor is hij voldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren over zijn politieke overtuiging, waardoor de minister geen aanvullend gehoor hoefde te houden.

12. Niet in geschil is dat eiser een politieke overtuiging heeft.3 Uit IB 2024/10 volgt dat, bij aanwezigheid van een politieke overtuiging, een vreemdeling tijdens een gehoor

3 Zie p. 8 van het bestreden besluit.

moet worden bevraagd over welke activiteiten hij bij terugkeer wil verrichten of hoe hij anderszins zijn opvattingen, mening of gedachte zou willen uiten, en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Vaststaat dat dit in eisers geval niet is gebeurd. Dat eiser verder wel voldoende is bevraagd over zijn politieke activiteiten, maakt dit niet anders. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld. De minister moet eiser daarom op dit punt aanvullend horen. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 22 april 2025;

draagt de minister op opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

19 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.