Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:3613

Op 19 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.52197, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:3613. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.52197
Datum uitspraak:
19 February 2026
Datum publicatie:
24 February 2026

Indicatie

Asiel, identiteit nationaliteit en herkomst, problemen met oom, terugkeerbesluit, inreisverbod, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.52197

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. B.J. Manspeaker),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Procesverloop

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft daarnaast een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd.

De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De gemachtigde van eiser is wel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn procesvertegenwoordiger.

Overwegingen

Inleiding

1. Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1987. Hij heeft op 18 augustus 2025 asiel aangevraagd in Nederland.

Het asielrelaas

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft problemen met zijn oom, vanwege een stuk grond dat van eisers vader was. Eisers oom wilde dit stuk grond hebben, maar eiser was het hier niet mee eens. Deze problemen zijn in 2020 ontstaan. Zijn oom heeft mensen betaald om aangifte tegen eiser te doen. Eiser heeft ook een keer gezien dat zijn oom geld gaf aan de politie. Eiser is twee maal veroordeeld voor diefstal en mishandeling en heeft van 2017 tot en met 2019 en vanaf eind 2019 tot en met begin 2021 in de gevangenis gezeten. Eiser heeft gelet op deze problemen in 2022 besloten om Marokko te verlaten. Bij terugkeer vreest eiser dat zijn oom opnieuw problemen zal veroorzaken waardoor hij gevangengenomen zal worden.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Problemen met oom.

3.1.

Verweerder acht beide asielmotieven ongeloofwaardig. Eiser heeft beide asielmotieven niet onderbouwd met documenten. Ook voldoet eiser ten aanzien van beide asielmotieven niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder a, b, c, en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser heeft namelijk geen inspanning geleverd om aan (identificerende) documenten te komen, noch heeft hij daarvoor een goede verklaring. Zo is het kwijtraken of achterlaten van identificerende documenten geen verschoonbare reden en heeft eiser tegenstrijdig verklaard over waar zijn identiteitsdocumenten zijn. Daarnaast heeft eiser geen documenten overlegd die zijn veroordeling door de rechtbank in Marokko onderbouwen en heeft hij hier ook geen verschoonbare reden voor. De verklaringen van eiser over zijn identificerende documenten en de problemen met de oom vormen ook geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de vraag waar zijn identiteitsdocumenten zijn, klopt de tijdslijn die eiser ten aanzien van zijn relaas schetst niet, baseert eiser zijn problemen vooral op aannames en heeft hij summier verklaard over zijn veroordelingen. Ten slotte kan eiser gezien het voorgaande in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, ook omdat hij na zijn eerste asielaanvraag van 18 augustus 2023 met onbekende bestemming is vertrokken. Dit vormt een indicatie dat eiser geen bescherming nodig heeft in Nederland en doet afbreuk aan de oprechtheid van de asielaanvraag.

3.2.

Verweerder heeft tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Er bestaat namelijk een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser moet terugkeren naar Marokko. Daarnaast is er op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, een inreisverbod van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd. Deze periode start zodra eiser Nederland verlaat.

Het beroep

4. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel is genomen. Eiser heeft aangegeven dat hij weer documenten of foto’s daarvan zal opvragen bij zijn echtgenote en familie in Marokko. Vooralsnog heeft eiser voldoende inspanning verricht om deze documenten te verkrijgen. Eiser is afhankelijk van derden om deze documenten daadwerkelijk te krijgen en rechtstreeks contact opnemen met de rechtbank of met zijn advocaat in Marokko is problematisch. Ten aanzien van de problemen met zijn oom stelt eiser zich op het standpunt dat deze al ruime tijd spelen en zijn verergerd na de dood van zijn vader. Het geheugen van eiser is verslechterd vanwege een ongeluk in Italië en vanwege zijn medische gesteldheid. Daarom zijn de verklaringen in het gehoor soms vaag en kan hij feiten en omstandigheden niet in de juiste tijd plaatsen. Ook is het terugkeerbesluit onlogisch, nu de nationaliteit van eiser ongeloofwaardig wordt geacht, maar Marokko wel wordt aangewezen als terugkeerland. Ten aanzien van het inreisverbod stelt eiser dat hij vanwege onduidelijkheid over zijn nationaliteit en het ontbreken van documenten, Nederland niet binnen een korte tijd zal kunnen en moeten verlaten. De ingangsdatum van het inreisverbod is daarom te onbepaald en voorbarig. Verweerder dient eerst onderzoek te doen naar de identiteit en nationaliteit van eiser.

Het oordeel van de rechtbank

Identiteit, nationaliteit en herkomst

5. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet met documenten heeft onderbouwd, en is van oordeel dat verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst niet alsnog geloofwaardig heeft hoeven achten. De rechtbank is namelijk met verweerder van oordeel dat eiser onvoldoende inspanning heeft verricht om identificerende documenten te verkrijgen. Ten tijde van het gehoor op 18 augustus 2023 heeft eiser immers verklaard over een Marokkaans paspoort, rijbewijs en identiteitskaart te beschikken, verklaard dat deze bij zijn vrouw in Marokko liggen en deze kunnen worden opgestuurd. Desondanks heeft eiser ze niet overgelegd. Dat eiser afhankelijk is van derden, zoals hij thans heeft gesteld, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Van eiser mag worden verwacht dat hij zich inspant om deze documenten – middels notabene zijn echtgenote – te verkrijgen. Van een dergelijke inspanning is in het geheel niet gebleken. Ook heeft verweerder terecht tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard door eerst te verklaren dat hij de documenten heeft achtergelaten in Marokko en later te verklaren dat hij deze in Italië is kwijtgeraakt. Dit betekent tevens dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft dit ook niet betwist.

Eisers problemen met zijn oom

6.1.

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de problemen die eiser stelt te hebben met zijn oom eveneens ongeloofwaardig heeft kunnen achten.

6.2.

Verweerder heeft allereerst mogen tegenwerpen dat eiser geen oprechte inspanningen heeft geleverd om aan documenten ter onderbouwing van zijn asielrelaas te komen en hij geen afdoende verklaring heeft voor het niet overleggen van documenten. Dit klemt te meer nu eiser heeft verklaard dat de mogelijkheid bestaat om bij de Marokkaanse rechtbank bewijzen te vragen dat hij heeft vastgezeten en hij daarvoor ook ruimschoots de tijd heeft gehad. Dat eiser afhankelijk is van derden, zoals hij in beroep naar voren heeft gebracht, is onvoldoende verklarend om het niet overleggen van documenten niet tegen te werpen. Eiser heeft ook niet onderbouwd waarom het problematisch zou zijn om contact op te nemen met zijn voormalig advocaat of met de rechtbank in Marokko voor documenten.

6.3.

Verweerder heeft mogen vinden dat de verklaringen van eiser over de problemen met zijn oom geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, omdat de tijdslijn die eiser schetst niet klopt, eiser zijn verklaringen voornamelijk baseert op aannames en hij summier verklaart over zijn veroordelingen. Eiser heeft verklaard dat de problemen met zijn oom in 2020 zijn ontstaan maar verklaart ook dat hij door toedoen van zijn oom heeft vastgezeten tussen 2017 en 2019 en tussen 2019 en 2021. Van eiser mag worden verwacht dat hij consistent kan verklaren over de volgorde van zijn ondervonden problemen. Eiser voert in beroep aan dat de problemen met zijn oom al geruime tijd spelen en zijn verergerd na de dood van zijn vader, maar dit komt niet overeen met de verklaringen uit het nader gehoor. Hierin heeft eiser immers verklaard dat de problemen eerst in 2020 zijn ontstaan. Voor zover eiser naar voren heeft gebracht dat hij vanwege zijn medische gesteldheid problemen heeft met zijn geheugen en daardoor feiten en omstandigheden niet in de juiste tijd kan plaatsen, volgt de rechtbank dit niet. Uit het medisch advies van 2 oktober 2025 volgt immers alleen dat eiser klachten heeft aan het bewegingsapparaat. Van klachten of beperkingen ten aanzien van het geheugen of het reproduceren van data is niet gebleken. Zoals de gemachtigde van eiser ter zitting heeft bevestigd zijn er geen medische stukken en staat eiser op dit moment niet onder medische behandeling. Evenzo heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij zijn problemen voornamelijk baseert op aannames. Zo wordt uit eisers verklaringen niet duidelijk dat zijn oom ervoor heeft gezorgd dat hij twee keer onder valse voorwendselen is veroordeeld. Dat eiser zijn oom geld aan politie heeft zien geven, zoals hij heeft verklaard, is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft evenmin aannemelijk kunnen maken dat hij onder valse voorwendselen is veroordeeld, hetgeen hij ook niet heeft betwist. Hierbij komt dat eiser summier heeft verklaard over zijn veroordelingen, zoals verweerder heeft tegengeworpen. Zo heeft eiser niet kunnen benoemen wanneer deze veroordelingen hebben plaatsgevonden. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat van eiser mag worden verwacht dat hij enigszins gedetailleerd kan verklaren over wanneer hij is veroordeeld, te meer daar dit verband houdt met zijn vertrek uit Marokko. Voor zover eiser in dit kader van deze (vage) verklaringen eveneens heeft gewezen op zijn geheugenproblemen, verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen ten aanzien van het medisch advies.

7. De beroepsgrond slaagt niet.

Terugkeerbesluit

8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onder meer in de uitspraak van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970, overwogen dat in een terugkeerbesluit altijd een land van bestemming moet worden genoemd, ook als onduidelijk is van welk land de vreemdeling de nationaliteit heeft. Daarbij moet in elk rechtmatig terugkeerbesluit een of meer landen van terugkeer worden vermeld. Het terugkeerbesluit markeert het begin van een terugkeerproces, waarbij soms pas na aanvang van de terugkeerprocedure met meer zekerheid zal blijken op welke land verweerder de uitzettingshandeling zal verrichten. Bij het nemen van het terugkeerbesluit hoeft daarom nog niet vast te staan naar welk land de vreemdeling daadwerkelijk moet of zou kunnen terugkeren. In deze zaak heeft eiser zelf verklaard dat hij uit Marokko komt en spreekt eiser Arabisch (Marokkaans). Het betoog van eiser, dat het onlogisch is dat Marokko als land van terugkeer is genoemd, omdat de nationaliteit van eiser ongeloofwaardig is geacht, volgt de rechtbank dan ook niet. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een beroep gedaan op het arrest Ararat van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, en het arrest Adrar van het Hof, van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. De gemachtigde van eiser voert aan dat verweerder gehouden is om te kijken of eiser bij terugkeer een risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit betoog slaagt niet, nu verweerder dit risico ook - rechtens juist - heeft beoordeeld. De rechtbank verwijst in dat kader naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. De beroepsgrond slaagt niet.

Inreisverbod

9. Uit artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw, volgt dat verweerder een inreisverbod uitvaardigt tegen de vreemdeling op wie artikel 64 van de Vw niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw. Dat is hier aan de orde. Dat eiser stelt Nederland niet binnen korte tijd te verlaten maakt niet dat verweerder het inreisverbod voorbarig heeft opgelegd. De duur van het inreisverbod begint te lopen zodra eiser Nederland, en de Europese Unie, heeft verlaten. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van

mr. J. Dommerholt, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.