Overwegingen
1. Omdat de bewaring van eisers is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaken tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank als de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Aanvulling op motivering maatregel [eiser 2]
2. Tegen de maatregel van bewaring die aan eiser [eiser 2] is opgelegd, is aangevoerd dat verweerder een aanvulling op de motivering ervan heeft gegeven. Dit is volgens eiser niet toegestaan.
3. Het klopt dat het nader motiveren van een maatregel van bewaring niet is toegestaan, ook niet op dezelfde dag, zoals hier het geval. Eiser heeft in dit verband terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 13 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1593). Naar het oordeel van de rechter is hiermee echter geen sprake van een motiveringsgebrek. Zoals verweerder heeft gesteld, gaat het om een geringe aanvulling die weinig gewicht in de schaal legt als het gaat om de motivering van de maatregel. Het is niet gebleken dat eiser met deze aanvulling geschaad is in zijn belang om zijn rechten onder zo goed mogelijke omstandigheden te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of hij er baat bij heeft zich tot de bevoegde rechter te wenden. Ook is de rechtbank niet geschaad in haar belang om ten volle de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel te toetsen. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
4. In de maatregelen van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregelen nodig waren, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eisers:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;3e. in verband met hun aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens hebben verstrekt over hun identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hun geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
5. Verweerder heeft de lichte grond 4a ter zitting laten vallen. Deze grond ligt dus niet langer ten grondslag aan de maatregelen van bewaring.
6. Eisers betwisten verder alle zware gronden en alle lichte gronden. Met betrekking tot zware grond 3a voeren eisers aan dat zij met een geldig visum Nederland zijn ingereisd om hier vervolgens asielaanvragen te doen. Hoewel dit volgens verweerder niet de voorgeschreven manier is om Nederland in te reizen, volgt uit het besluit niet hoe eisers dit wel hadden kunnen doen. Dit maakt de motivering van deze grond gebrekkig, aldus eisers. Bovendien hebben eisers aan de grens hun asielaanvragen gedaan, waarna verweerder ze Nederland heeft ingelaten. Ten aanzien van zware grond 3e voeren eisers aan dat het gehoor waarnaar wordt verwezen ten onrechte niet in het dossier zit. Daarnaast betogen eisers dat deze grond niet op hen van toepassing is omdat deze betrekking heeft op mensen die liegen of informatie achterhouden bij hun asielaanvraag, niet bij een visumaanvraag. Over zware grond 3k voeren eisers aan dat onvoldoende vaststaat dat zij niet hebben meegewerkt aan de geplande overdracht, omdat niemand ze op het afgesproken tijdstip heeft opgehaald. Met betrekking tot de lichte gronden stellen eisers, onder verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 september 2012 (ECLI:EU:C:2012:594), dat zij tot de groep van vreemdelingen behoren die recht hebben op verstrekking van opvang tot het moment van hun overdracht. Er is volgens hen dan ook geen reden om te concluderen dat het niet hebben van een vaste verblijfplaats en het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan leidt tot een onttrekkingsrisico.
7. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3a en 3k kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Verweerder heeft in de bestreden besluiten gemotiveerd dat en waarom de zware gronden 3a en 3k zich feitelijk voordoen. Eisers hebben verklaard dat zij met een visum voor Noorwegen Nederland zijn ingereisd. Hieruit volgt dat eisers niet op de voorgeschreven wijze Nederland zijn ingereisd. Verweerder heeft de zware grond 3a dan ook aan de maatregelen van bewaring ten grondslag kunnen leggen. Met betrekking tot het aangevoerde over zware grond 3k overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier blijkt dat de vluchtgegevens op 12 januari 2026 aan eisers zijn bekendgemaakt. Toen er op het afgesproken tijdstip op 15 januari 2026 geen vervoer klaarstond naar het vliegveld hebben eisers dit wel gemeld bij het COA-personeel, maar niet de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V). Eisers hebben hierover tijdens hun (gezamenlijke) gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat zij dit niet kenbaar hadden gemaakt bij DT&V omdat zij liever niet terug wilden vanwege ziekte en dus dachten dat DT&V van de vlucht had afgezien (p. 4). Ze hebben verklaard dat ze hadden gewacht. Volgens de hoormedewerker bleek uit hun vertrekdossier echter dat zij niet op hun kamer waren aangetroffen. In reactie daarop hebben eisers verklaard dat ze naar het ziekenhuis waren. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder er in deze omstandigheden – waarin eisers geen contact hebben opgenomen met DT&V toen hun vervoer er niet op het afgesproken tijdstip was en waarin zij naar een andere afspraak zijn gegaan in plaats van te wachten tot het een en ander duidelijk was – vanuit gaan dat zij hiermee niet hebben meegewerkt aan hun overdracht. Daarom is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder de zware grond 3k terecht aan eisers heeft tegengeworpen.
8. De zware gronden 3a en 3k zijn, in onderling verband en in samenhang bezien, voldoende om de maatregelen van bewaring te kunnen dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken. De rechtbank laat de overige gronden dan ook onbesproken. De beroepsgronden slagen niet.
9. Eisers voeren verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in hun geval geen lichter middel is toegepast dan de inbewaringstelling. Hiertoe voeren eisers aan dat er geen risico is op onttrekking, omdat één van hen aan Alzheimer leidt en één meer dan maandelijks onder behandeling staat. De inbewaringstellingen waarborgen daarbij niet de menselijke waardigheid van eisers.
10. Gelet op de hiervoor genoemde dragende gronden is er een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich deugdelijk gemotiveerd en terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij detentieongeschikt zijn en zij hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat de in het detentiecentrum beschikbare begeleiding en medische zorg in hun geval niet toereikend zijn of dat hun gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Verweerder heeft er naar het oordeel van de rechtbank terecht op gewezen dat de medische zorgverlening in detentie gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft dus bij de oplegging van de maatregelen van bewaring voldoende kenbaar rekening gehouden met de medische gesteldheid van eisers. De beroepsgrond slaagt niet.
11. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregelen van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregelen van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eisers of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen hun verwijdering.
12. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.