Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:3810

Op 25 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.52714, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:3810. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.52714
Datum uitspraak:
25 February 2026
Datum publicatie:
26 February 2026

Indicatie

Ingewilligde asielaanvraag – beroep richt zich tegen de vastgestelde geboortedatum – leeftijdsschouw niet inzichtelijk – registratie in Griekenland – motiveringsgebreken – beroep gegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.52714

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. van Halteren).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser ingewilligd.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en [naam] als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag 1] 2008. Hij heeft de Eritrese nationaliteit. Op 26 maart 2024 heeft eiser een asielaanvraag ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend, waarbij verweerder heeft aangenomen dat eiser op [geboortedag 2] 2006 is geboren. Over de geboortedatum van eiser heeft verweerder als volgt overwogen. Bij AVIM heeft eiser verklaard te zijn geboren op [geboortedag 3] 2008, terwijl hij op andere momenten bij de IND heeft verklaard te zijn geboren op [geboortedag 1] 2008. Omdat eiser geen echt bevonden, identificerende documenten heeft overgelegd bij zijn aanmelding, is hij geschouwd door medewerkers van AVIM en de IND. Op basis van de leeftijdsschouw heeft AVIM geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De IND heeft geconcludeerd dat sprake is van twijfel over de door eiser opgegeven leeftijd. Verweerder heeft hierna een onderzoek opgestart in Griekenland, waaruit is gebleken dat eiser in Griekenland geregistreerd staat met de geboortedatum [geboortedag 2] 2006. De verklaringen van eiser over de leeftijdsregistratie in Griekenland acht verweerder niet verschoonbaar. Verder heeft eiser een doopakte overgelegd die door Bureau Documenten vals is bevonden. De combinatie van deze omstandigheden maakt dat verweerder aanneemt dat eiser meerderjarig is met de geboortedatum [geboortedag 2] 2006.

3. Eiser is het niet er niet mee eens dat zijn gestelde geboortedatum niet wordt gevolgd. Hij voert aan dat onduidelijk is waarom door AVIM de geboortedatum [geboortedag 3] 2008 is geregistreerd, nu hij tijdens het verhoor de geboortedatum [geboortedag 1] 2008 heeft genoemd. Daarnaast blijkt uit de schouw van de IND niet waarom de uiterlijke kenmerken van eiser doorslaggevend zijn voor de twijfel aan zijn leeftijd. Ook heeft AVIM niet duidelijk gemaakt waar de twijfel over de leeftijd van eiser op is gebaseerd. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van 25 september 2025 (Voetnoot 1) van de Afdeling. (Voetnoot 2) Verder voert eiser aan dat verweerder niet in lijn met de uitspraak van 9 oktober 2024 van de Afdeling heeft gehandeld door in Griekenland niet te informeren naar de omstandigheden waaronder de leeftijd van eiser aldaar is geregistreerd. (Voetnoot 3)

4. In het verweerschrift heeft verweerder kenbaar gemaakt zich te kunnen vinden in het standpunt van eiser dat onduidelijk is waarom AVIM een afwijkende geboortedatum heeft genoteerd nu eiser een concrete geboortedatum heeft genoemd in het verhoor. Daarom wordt niet langer tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig zou hebben verklaard over zijn geboortedatum bij AVIM. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er genoeg redenen overblijven om de geboortedatum [geboortedag 2] 2006 te hanteren.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Leeftijdsschouw

5. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat in het algemeen de leeftijdsschouw zorgvuldig is en het beleid daarover redelijk is. Om in een individuele zaak tot een zorgvuldige schouw te komen, is het van belang dat de verslaglegging zorgvuldig gebeurt en alle observaties tijdens het gehoor, bestaande uit uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen, in het verslag worden beschreven. De conclusies van de schouw moeten worden verbonden aan deze observaties. Alleen dan is een schouw voldoende zorgvuldig, inzichtelijk en concludent. (Voetnoot 4)

6. Eiser is zowel geschouwd door medewerkers van AVIM als de IND. In het verslag van de leeftijdsschouw door de medewerker van de IND is, anders dan eiser meent, uitgelegd waarom het gedrag en de uiterlijke kenmerken van eiser hebben geleid tot de conclusie dat twijfel bestaat over de leeftijd van eiser. In het verslag zijn de verklaringen, het gedrag van eiser en zijn lichamelijke kenmerken opgesomd. Uitgelegd is dat de verklaringen geen reden geven om te twijfelen aan de door eiser opgegeven leeftijd, maar dat zijn gedrag meer overeenkomt met het gedrag van een jongvolwassene en dat de lichamelijke kenmerken zowel kunnen passen bij de opgegeven leeftijd als een oudere leeftijd. Vervolgens is geconcludeerd dat twijfel bestaat over de leeftijd van eiser. Deze conclusie is verbonden aan de observaties. Gelet daarop is de schouw door de IND zorgvuldig, inzichtelijk en concludent.

7. In het verslag van de leeftijdsschouw door AVIM is eveneens het gedrag van eiser omschreven en zijn de lichamelijke kenmerken en de verklaring van eiser opgesomd, waarna geconcludeerd is dat eiser evident meerderjarig is. Daarbij is niet uitgelegd welke signalen tot die conclusie hebben geleid en waarom die signalen daartoe hebben geleid. Er wordt geen verbinding gelegd tussen de observaties en de conclusie. Ook wordt niet uitgelegd waarom de lichamelijke kenmerken en/of het gedrag van eiser typerend zijn voor een meerderjarige. De rechtbank is van oordeel dat deze schouw niet inzichtelijk en concludent is en daarom niet betrokken kan worden bij het standpunt van verweerder over de geboortedatum van eiser.

8. Nu een van de leeftijdsschouwen niet inzichtelijk en concludent is, is de leeftijdsschouw in dit geval geen bruikbaar middel is om uitspraken te doen over de vraag of al dan niet twijfel bestaat over de door eiser gestelde leeftijd. (Voetnoot 5) Dit neemt niet weg dat verweerder met het oog op zorgvuldige besluitvorming nader onderzoek mocht doen naar de leeftijd van eiser. (Voetnoot 6) Verweerder moet daarbij blijven uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en het is aan hem om de stelling van eiser over zijn leeftijd te ontzenuwen.

Registratie in Griekenland

9. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet onverkort van toepassing is bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. Verweerder mag niet zonder meer uitgaan van de juistheid van de geregistreerde leeftijd in een andere lidstaat, maar moet met inachtneming van nationaal bewijsrecht onderzoeken en deugdelijk motiveren welk gewicht aan een bepaalde registratie toekomt en waarom. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van een vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal verweerder zich moeten laten informeren over de omstandigheden waaronder deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling zal een plausibele verklaring moeten geven voor de afwijkende verklaring, omdat deze in beginsel afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van andere verklaringen. (Voetnoot 7)

10. Door verweerder is onderzoek gedaan naar de leeftijd van eiser door navraag te doen bij de Griekse autoriteiten. Uit de reactie van Griekenland blijkt dat eiser in Griekenland is geregistreerd met geboortedatum [geboortedag 2] 2006. Uit deze reactie is echter niet op te maken op grond waarvan deze geboortedatum is geregistreerd. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat hij heeft geconcludeerd dat alleen de verklaring van eiser ten grondslag heeft gelegen aan de leeftijdsregistratie in Griekenland, nu uit de informatie van Griekenland en de verklaringen van eiser niet blijkt dat er documenten aan de registratie ten grondslag hebben gelegen.

Ten aanzien van de omstandigheden waaronder de verklaring in Griekenland is afgelegd, heeft eiser verklaard dat sprake is geweest van miscommunicatie, omdat bij de registratie geen tolk aanwezig was en Engelssprekende reisgenoten zijn geboortedatum hebben doorgegeven. Over deze verklaringen van eiser heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat deze niet verschoonbaar zijn en niet gevolgd worden. Verweerder heeft echter niet gemotiveerd waarom deze verklaringen niet verschoonbaar zijn en niet gevolgd worden. De rechtbank wijst erop dat verweerder bij de beoordeling van eisers verklaringen moet uitgaan van de presumptie van minderjarigheid en dus bij de verschoonbaarheid van de verklaringen dient te betrekken in hoeverre van een minderjarige mag worden verwacht dat hij anders handelt dan hij heeft gedaan. Dit heeft verweerder niet kenbaar gedaan in het bestreden besluit. Ook heeft verweerder in het bestreden besluit nagelaten te motiveren welk gewicht is toegekend aan de leeftijdsregistratie in Griekenland en waarom. Het bestreden besluit bevat op deze punten dan ook een motiveringsgebrek.

11. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat het niet zo is dat de Griekse autoriteiten zelf een geboortedatum toewijzen aan iemand. Daarbij heeft verweerder ook overwogen dat hetzelfde geldt voor de Nederlandse autoriteiten, waarover eiser heeft verklaard dat zij op eigen gelegenheid aan eiser de geboortedatum [geboortedag 3] 2008 hebben toegerekend. De rechtbank merkt daarbij op dat verweerder, zoals onder 4 vastgesteld, heeft erkend dat het onduidelijk is waarom AVIM de geboortedatum [geboortedag 3] 2008 heeft genoteerd. In zoverre kan deze overweging dan ook niet blijven staan.

Conclusie

12. Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarin de geboortedatum van eiser is vastgesteld op [geboortedag 2] 2006. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder de geloofwaardigheid van eisers geboortedatum opnieuw zal moeten beoordelen. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen over de geboortedatum van eiser, met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin is beslist dat uit wordt gegaan van de geboortedatum van [geboortedag 2] 2006 en laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de geboortedatum van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.

Deze uitspraak is gedaan op 25 februari 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

ECLI:NL:RVS:2025:4569.

Voetnoot 2

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2024:3992.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RVS:2025:3801.

Voetnoot 5

ECLI:NL:RVS:2025:3801, r.o. 12.2.

Voetnoot 6

ECLI:NL:RVS:2025:3991, r.o. 3.3.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RVS:2024:3392.