Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:3954

Op 26 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.5157, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:3954. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.5157
Datum uitspraak:
26 February 2026
Datum publicatie:
27 February 2026

Indicatie

Asiel, Dublinverordening, Spanje, interstatelijk vertrouwensbeginsel, buiten zitting, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.5157

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. M.M. van Woensel),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding

Bij besluit van 27 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. (Voetnoot 1)

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Syrische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 15 augustus 2025 asiel aangevraagd in Nederland.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw. (Voetnoot 2) In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Dublinverordening (Voetnoot 3) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 4 januari 2025 illegaal via Spanje het grondgebied van de lidstaten is ingereisd. Verweerder heeft 15 oktober 2025 een overnameverzoek gestuurd aan de Spaanse autoriteiten. Deze hebben op 21 oktober 2025 bericht dat zij akkoord zijn met overname van eiser.

3. Eiser voert daartegen aan dat hij niet terug kan naar Spanje. Hij verwacht in Spanje geen eerlijke behandeling. Verweerder is onvoldoende ingegaan op de door hem in Spanje ondervonden behandeling door de autoriteiten. Eiser beschikt niet over documenten om zijn relaas te onderbouwen.

4. Niet in geschil is dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In beginsel mag verweerder ten opzichte van Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan. Dit wordt bevestigd door rechtspraak van de Afdeling. (Voetnoot 4) Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.

5. Eiser is daarin niet geslaagd. Eiser herhaalt in beroep enkel dat hij in Spanje geen eerlijke behandeling verwacht en dat hij in Spanje al vervelende ervaringen heeft gehad. Eiser zou in Spanje enkele dagen op straat hebben geleefd, zonder geld of telefoon. Deze gestelde ervaringen van eiser zijn onvoldoende om de hoge drempel van zwaarwegendheid te bereiken, als bedoeld in het arrest Jawo. (Voetnoot 5) Bovendien heeft eiser in Spanje geen asiel aangevraagd en heeft hij daarom nog geen ervaringen met de Spaanse asiel- en opvangprocedure. Eiser heeft verder niet onderbouwd dat hij na overdracht in Spanje geen toegang zal krijgen tot de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. Spanje heeft met het aanvaarden van het overnameverzoek van verweerder gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen.

6. Verweerder heeft eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoot

Voetnoot 1

Op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Voetnoot 2

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 3

Verordening (EU) nr. 604/2013.

Voetnoot 4

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zie de uitspraak van 20 juli 2023 ECLI:RVS:2023:2803, uitspraak van 24 juni 2024 ECLI:NL:RVS:2024:2548, uitspraak van 3 februari 2025 ECLI:RVS:2025:381 en de uitspraak van 25 november 2025 ECLI:NL:RVS:2025:5661.

Voetnoot 5

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.