Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:3957

Op 26 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL24.9969, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:3957. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL24.9969
Datum uitspraak:
26 February 2026
Datum publicatie:
27 February 2026

Indicatie

Derdelander Oekraïne; PKV-verzoek; afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.9969

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [verzoeker] , verzoeker

v-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.R.F. Berte),

en

de minister van Asiel en Migratie(Voetnoot 1) verweerder.

Procesverloop

Procesverloop

Verzoeker heeft op 6 maart 2024 beroep ingesteld tegen het besluit van 7 februari 2024 waarin verweerder heeft bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst.

Op 20 januari 2025 heeft verweerder een besluit genomen op de aanvraag van verzoeker van 11 november 2024 en aan hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking: verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] .

Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb (Voetnoot 2) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb kan de rechtbank in geval van intrekking van het beroep, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak - met toepassing van artikel 8:75 van de Awb - in de proceskosten veroordelen.

2. Volgens vaste rechtspraak (Voetnoot 3) van de hoogste bestuursrechter is van ‘tegemoetkomen’ in de zin van artikel 8:75a, eerste lid van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een in het bestreden besluit ingenomen standpunt, dat binnen de grenzen van het geding valt, heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit vanwege nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, dan wel vanwege pas in beroep verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende, informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een proceskostenveroordeling.

3. De rechtbank is van oordeel dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb in dit geval geen sprake is.

3.1

Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef verzoeker rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.

3.2

De rechtbank heeft het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.

3.3

Op 20 januari 2025 heeft verweerder het besluit genomen dat verzoeker een reguliere verblijfsvergunning zal worden verleend, voor verblijf bij familie- of gezinslid [naam] . Deze vergunningverlening heeft derhalve niets van doen met de aan verzoeker verleende tijdelijke bescherming op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.

3.4

In die omstandigheden is - naar vaste jurisprudentie - met het intrekken van het bestreden besluit geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb.

4. Het verzoek van verzoeker dient gelet op het voorgaande te worden afgewezen. Dat betekent dat verzoeker en zijn gemachtigde voor dit ingetrokken beroep geen recht hebben op een proceskostenvergoeding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoot

Voetnoot 1

Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Voetnoot 2

Algemene wet bestuursrecht.

Voetnoot 3

Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816, en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487.