Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:4106

Op 26 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.56360, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4106. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.56360
Datum uitspraak:
26 February 2026
Datum publicatie:
2 March 2026

Indicatie

Asiel, China, problemen vanwege de-registratie, afwijzing asielaanvraag als kennelijk ongegrond, weigering vergunning regulier verblijf, 8 EVRM privéleven, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.56360

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.S. van Aken),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond en tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht vooraf, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Chinese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1968. Hij verblijft naar zijn zeggen sinds 8 juni 1993 in Nederland. Eiser is op 18 december aangetroffen als illegaal verblijvende vreemdeling. Hierna heeft eiser op 20 december 2023 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij naar Nederland is gekomen voor een betere toekomst. Met de aanvraag hoopt hij een verblijfsvergunning te krijgen, zodat hij werk kan vinden. Eiser stelt dat hij vanwege zijn langdurige illegale afwezigheid uit China inmiddels niet langer staat geregistreerd als Chinees staatsburger. Eiser is bang dat hij bij terugkeer in China zal worden opgepakt.

2. Verweerder concludeert in het bestreden besluit dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer evenmin een reëel risico loopt op ernstige schade, nu hij de gestelde problemen als gevolg van een illegale uitreis niet aannemelijk heeft gemaakt. Op basis van de landeninformatie over China wordt eisers vrees voor een onevenredige bestraffing niet aannemelijk geacht. De asielaanvraag van eiser is afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser geen verklaringen heeft afgelegd die relevant zijn voor de vraag of eiser in aanmerking komt voor een asielvergunning. Daarnaast heeft eiser zich niet onverwijld gemeld om asiel aan te vragen nadat hij op 8 juni 1993 Nederland is ingereisd. (Voetnoot 1) Evenmin krijgt eiser een vergunning voor regulier verblijf. (Voetnoot 2) De uitzetting van eiser is niet in strijd met het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. (Voetnoot 3)

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de asielaanvraag ten onrechte is afgewezen. Hij meent dat sprake is van de-registratie in China. Tijdens zijn illegale uitreis met de [organisatie] had eiser geen beschikking over documenten. De Hukou (Voetnoot 4) was gerelateerd aan zijn ouders, eiser stond hier als kind op vermeld. Na het overlijden van zijn ouders heeft eiser nooit een eigen registratie gehad. Ook heeft hij geen directe familie in China en wonen er andere mensen op de grond waar hij destijds met zijn ouders leefde. Als eiser wordt teruggestuurd naar China zal hij daar als staatloos en illegaal worden beschouwd. Verweerder had hier nader onderzoek naar moeten doen. Eiser voert verder aan dat hij illegaal in Nederland heeft gewerkt onder toeziend oog van de [organisatie] . Hij is door deze organisatie vastgehouden tot het geld betaald was dat gemoeid was met de mensensmokkel. Het heeft eiser veel moeite gekost om zich van dit leven te ontworstelen. Eiser heeft niet eerder asiel aangevraagd omdat hij dit niet durfde en zich niet eerder realiseerde dat dit de beste optie was. Na de inval van de politie heeft eiser gelijk een asielaanvraag ingediend. Eiser vindt ook dat hem ten onrechte geen reguliere humanitaire verblijfsvergunning is verleend. Hij heeft in Nederland een privéleven opgebouwd en dit recht kan hij niet in China uitoefenen op dezelfde wijze. Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat tegen hem ten onrechte een inreisverbod is uitgevaardigd. Hij is geworteld in de Nederlandse samenleving en heeft hier zijn sociale netwerk.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Problemen vanwege de-registratie

4. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat wat eiser heeft aangevoerd over zijn de-registratie uitsluitend is gebaseerd op aannames. Eiser heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat zijn nationaliteit is ingetrokken of dat zijn registratie anderszins is geëindigd. Evenmin heeft eiser concreet gemaakt dat de Chinese autoriteiten weigeren hem als onderdaan te erkennen of hem identificerende documenten te verstrekken. Niet is gebleken dat eiser navraag heeft gedaan om hierover duidelijkheid te verkrijgen.

Verweerder heeft verwezen naar landeninformatie over China (Voetnoot 5), waaruit volgt dat een Hukou-registratie opnieuw kan worden geactiveerd, ook indien deze eerder is geannuleerd. Er is dus geen reden om te twijfelen aan de mogelijkheid voor eiser om naar China terug te keren. Verder heeft verweerder verwezen naar landeninformatie over China (Voetnoot 6) waaruit volgt dat eiser ondanks zijn langdurige afwezigheid uit China en het ontbreken van documenten bij terugkeer geen problemen hoeft te verwachten. De Chinese overheid ziet uitgezette mensen over het algemeen niet als politieke dreiging maar als economische migranten. Eiser heeft een en ander niet gemotiveerd weten te bestrijden in beroep. Daarmee heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, noch dat bij terugkeer een reëel risico bestaat op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Afwijzing aanvraag als kennelijk ongegrond.

5. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn indien de vreemdeling bij het indienen van zijn aanvraag en de toelichting van de feiten alleen aangelegenheden aan de orde heeft gesteld die niet ter zake doen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een asielvergunning.

Verweerder heeft over eisers verklaringen dat hij naar Nederland is gekomen om te werken en een betere toekomst op te bouwen terecht overwogen dat deze geen verband houden met de gronden voor asielrechtelijke bescherming. Verweerder heeft de aanvraag daarom terecht op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw afgewezen als kennelijk ongegrond.

6. Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn indien de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de asielaanvraag van eiser eveneens terecht afgewezen als kennelijk ongegrond op deze grond. Verweerder heeft daarbij niet hoeven volgen dat eiser feitelijk niet eerder in staat zou zijn geweest om asiel te vragen. Daargelaten dat eiser dit als zodanig niet heeft onderbouwd, heeft verweerder er terecht op gewezen dat eiser ook heeft verklaard dat hij zich pas na zijn aanhouding door de politie realiseerde dat hij zich diende te melden voor het doen van een asielaanvraag.

Weigering vergunning regulier verblijf / Privéleven artikel 8 van het EVRM

7. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 3.6a, eerste lid en 3.6ba, eerste lid, van het Vb (Voetnoot 7), geweigerd aan eiser een vergunning te verlenen voor regulier verblijf omdat eiser geen overige bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd. Eiser heeft in beroep gesteld dat hem een humanitaire verblijfsvergunning moet worden verleend, maar eiser heeft niet geconcretiseerd waarom verweerders conclusie onjuist is.

8. De weigering van verweerder om aan eiser een verblijfsvergunning te verlenen is ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Niet in geschil is dat eiser gedurende meer dan 30 jaar feitelijk in Nederland heeft verbleven. Aangenomen moet daarom worden dat eiser in Nederland een privéleven heeft opgebouwd. Verweerder heeft echter niet ten onrechte geconcludeerd dat het niet toelaten van eiser tot Nederland geen ongerechtvaardigde inbreuk betekent op eisers recht op bescherming van zijn privéleven. Verweerder heeft daarbij gewezen op zijn restrictief toelatingsbeleid en het Nederlands economisch belang. Daarnaast heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen betrekken dat eiser onherroepelijk is veroordeeld tot 2 maanden gevangenisstraf wegens overtreding van de Opiumwet. Ook heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen meewegen dat eiser nimmer rechtmatig verblijf heeft gehad en er dus niet op heeft kunnen vertrouwen dat hij hier privéleven kon opbouwen. De banden van eiser met Nederland zijn beperkt. Eiser heeft weliswaar meer dan 30 jaar in Nederland gewerkt en daarmee in zijn levensonderhoud kunnen voorzien, maar dit betrof uitsluitend illegaal werk en voornamelijk in Chinese restaurants. Zijn sociale contacten bestaan uit een beperkt aantal personen uit de Chinese gemeenschap. Niet gebleken is dat eiser zijn sociale contacten niet vanuit China kan onderhouden. Eiser heeft geen Nederlandse taallessen of ander onderwijs gevolgd en hij is maatschappelijk verder niet actief geweest. Gelet op de nog aanwezige banden van eiser met China heeft verweerder kunnen overwegen dat er geen reden is om aan te nemen dat eiser niet opnieuw in China zou kunnen aarden.

Conclusie

9. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Gelet hierop heeft verweerder kunnen besluiten tot het onthouden van een vertrektermijn aan eiser en heeft op basis daarvan terecht tegen eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder hiervan had moeten afzien. Het beroep is ongegrond.

10. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 26 februari 2026 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Zie artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef onder a en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Voetnoot 2

Artikel 14, eerste lid, aanhef onder e, van de Vw.

Voetnoot 3

Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 4

Het familieboekje in het Chinese gezinsregistratieprogramma.

Voetnoot 5

Algemeen ambtsbericht China van december 2012; rapport van het Australische Department of Foreign Affairs and Trade (DFAT) van 27 december 2024.

Voetnoot 6

New York Times 16 september 2025: “Returned to China Against His Will, He Would Not Give Up”.

Voetnoot 7

Vreemdelingenbesluit 2000