Procesverloop
1. Eiser heeft op 19 augustus 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
3. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
4. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, die aan de zitting heeft deelgenomen via een beeldverbinding. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
5. Eiser is geboren op [1991] en heeft de Eritrese nationaliteit. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat de verklaringen over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. Ook vindt de minister zijn desertie en zijn illegale uitreis geloofwaardig. De minister vindt de verklaringen over eisers problemen als gevolg van zijn werkzaamheden op school ongeloofwaardig. De asielaanvraag van eiser is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw (de b-grond). Eiser krijgt geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (a-grond), omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.
6. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
7. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat de minister zijn asielaanvraag op de a-grond had moeten inwilligen op grond van de geloofwaardig bevonden desertie en illegale uitreis. Uit de UNHCR Eligibility Guidelines volgt dat deserteurs worden gezien als politieke opposanten en dat deserteurs te maken krijgen met foltering. (Voetnoot 1) Ook wijst eiser op een jaarrapport van Human Rights Watch waarin staat dat arrestaties van deserteurs vaak plaatsvinden zonder arrestatiebevel of kennisgeving van de tenlastelegging. Veel deserteurs worden gedwongen te verdwijnen en worden gezien als verraders. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte de aangevoerde problemen als gevolg van zijn werkzaamheden op school ongeloofwaardig heeft bevonden.
8. Eiser stelt verder dat hij procesbelang heeft bij deze beroepsprocedure. Daarbij wijst eiser op het wetsvoorstel ‘Wet invoering tweestatusstelsel’ dat op 3 juli 2025 door de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Tweede Kamer) is aangenomen. Op dit moment ligt het wetsvoorstel ter behandeling in de Eerste Kamer der Staten-Generaal (Eerste Kamer). Het is volgens eiser onzeker wat de mogelijke nadelige gevolgen van dit wetsvoorstel zullen zijn voor het recht op gezinshereniging voor statushouders die een verblijfsvergunning hebben op de b-grond. Eiser vindt hierbij van belang dat, door het ontbreken van overgangsrecht, deze beperking mogelijk directe werking heeft op alle lopende asielaanvragen. Daarnaast heeft eiser, door het ontbreken van overgangsrecht geen effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 46, tweede lid, van de Procedurerichtlijn tot zijn beschikking als hij niet binnen vier weken na het inwilligend besluit beroep heeft ingediend, dan wel wanneer de rechtbank het daartegen ingediende beroep niet-ontvankelijk verklaard. Hierbij verwijst eiser ook naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 februari 2009. (Voetnoot 2)
9. De rechtbank stelt zich eerst voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep. Een belanghebbende kan bij de daartoe bevoegde rechter tegen een besluit opkomen, indien hij of zij daarbij een belang heeft. Daarvan is sprake wanneer het instellen van het rechtsmiddel ertoe kan leiden dat de belanghebbende in een gunstigere positie zou kunnen komen. De rechtsvraag over het belang bij doorprocederen over de verleningsgrond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 21 september 2022. (Voetnoot 3) De Afdeling oordeelt in die uitspraak dat het uitgangspunt dat een belanghebbende die beroep instelt daarbij procesbelang moet hebben, eveneens van toepassing is in zaken waarin aan een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van de b-grond, terwijl hij stelt dat de minister de asielaanvraag had moeten inwilligen op grond van de a-grond. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat aan een verblijfsvergunning op de a-grond binnen het Nederlandse vergunningenstelsel geen andere of verdergaande rechten zijn verbonden dan aan een vergunning op de b-grond. Een vreemdeling met een verblijfsvergunning op de b-grond die doorprocedeert voor een a-grond, kan met die procedure dus geen gunstigere positie bereiken, en heeft om die reden onvoldoende procesbelang.
10. Procesbelang kan ook niet worden ontleend aan het voormelde wetsvoorstel dat momenteel in de Eerste Kamer aanhangig is. Procesbelang kan volgens de Afdeling immers niet worden ontleend aan een toekomstige onzekere gebeurtenis, (Voetnoot 4) zoals de uitkomst van een wetgevingsprocedure. Zoals eiser zelf erkent, is het niet duidelijk of het wetsvoorstel aangenomen zal worden. Dat de Tweede Kamer het wetsvoorstel heeft aangenomen, doet hier niet aan af. Ook maakt de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2009, waar eiser naar verwijst, het oordeel niet anders. In die uitspraak nam de Afdeling procesbelang aan omdat een inhoudelijk oordeel over de standplaatsvergunningaanvraag van belang was voor een nieuwe standplaatsvergunningaanvraag onder hetzelfde recht. Daarbij was het aannemelijk dat het desbetreffende bedrijf een dergelijke aanvraag ging indienen. In de zaak van eiser gaat het niet om een toekomstige aanvraag, maar om een toekomstige wetswijziging. Daarbij is de uitkomst van een wetgevingsprocedure naar zijn aard een onzekere toekomstige gebeurtenis, waar de rechtbank geen voorschot op kan nemen. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van 8 juli 2025 van deze rechtbank. (Voetnoot 5) De Afdeling heeft deze uitspraak op 25 september 2025, bevestigd. (Voetnoot 6) Eiser heeft, gelet op het voorgaande, daarom geen procesbelang bij zijn beroep.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 25 februari 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.