Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:4259

Op 24 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.8111, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4259. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.8111
Datum uitspraak:
24 February 2026
Datum publicatie:
4 March 2026

Indicatie

Bewaring, vervolgberoep, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.8111

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft op 24 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 18 februari 2026

Overwegingen

Toetsingskader

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 december 2025 (in de zaak NL25.57091) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

Voortvarend handelen

3. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend aan zijn verwijdering werkt. Hiertoe voert eiser aan dat verweerder uitsluitend rappelleert ten aanzien van de voor hem ingediend laissez-passer (lp) aanvraag, en geen andere concrete uitzettingshandelingen verricht.

4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit de voortgangsrapportage (de ‘M120’) die door verweerder is overgelegd blijkt dat ongeveer elke drie weken wordt gerappelleerd en dat daarnaast ook in de te toetsen periode op 6 januari 2026 en 14 januari 2026 vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) blijkt dat een vertrekgesprek kan worden aangemerkt als een handeling van directe betekenis voor de uitzetting van de vreemdeling (zie de uitspraak van 5 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3486). Daarnaast heeft verweerder de zaak van eiser op 11 februari 2026 nog besproken met de Marokkaanse consul. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting

5. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat geen zicht op uitzetting bestaat in zijn concrete geval. Hierbij betoogt eiser dat de lp-aanvraag al een geruime tijd in behandeling is en dat Marokkaanse autoriteiten voor hem aanvullende eisen hebben gesteld, zoals het overleggen van de eerder voor eiser afgegeven lp.

6. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033, en 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in zijn specifieke geval is komen te ontbreken. De rechtbank stelt vast dat er eerder voor eiser een lp is verstrekt door de Marokkaanse autoriteiten. Dat eisers huidige lp-traject al enige tijd loopt, creëert naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat voor eiser dit keer geen lp zal worden afgegeven. De rechtbank overweegt in dat verband dat uit de informatie van de M120 blijkt dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven dat voor eiser op korte termijn een lp zal worden afgegeven, indien zijn vorige lp kan worden overgelegd. Hiervoor zal door verweerder een afspraak worden gemaakt met het Marokkaanse consulaat, zo blijkt uit het bericht van 11 februari 2026. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

7. Eiser voert aan dat verweerder, op basis van de vertrekgesprekken die met hem zijn gevoerd, toepassing had moeten geven aan een lichter middel dan inbewaringstelling. Eiser betoogt dat hij bereid is om vrijwillig terug te keren naar Marokko en zelf contact heeft opgenomen met het Marokkaanse consulaat ten behoeve van zijn vertrek.

8. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het risico op onttrekking, zoals vastgesteld in de maatregel van bewaring en bevestigd in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 december 2025 (zaaknummer NL25.57091), is onverminderd van toepassing. De rechtbank neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat eiser in het verleden onder dwang is uitgezet naar Marokko, onder oplegging van een inreisverbod van twee jaar, en desondanks opnieuw naar Nederland is gereisd. Dat eiser nu verklaart wel vrijwillig te willen terugkeren naar Marokko en daartoe een vrijwilligersbrief heeft opgesteld, doet aan het voorgaande onttrekkingsrisico niet af. De beroepsgrond slaagt niet.

Belangenafweging

10. Eiser voert vervolgens aan dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd met betrekking tot het voortvarend handelen van verweerder, het concrete zicht op uitzetting en de omstandigheid dat hij vrijwillig meewerkt aan zijn terugkeer, stelt hij zich op het standpunt dat de voortduring van de maatregel van bewaring bij een belangenafweging onevenredig moet worden bevonden.

11. Gelet op hetgeen is overwogen onder 4, 6 en 9, oordeelt de rechtbank dat hetgeen eiser in het kader van de belangenafweging heeft aangevoerd, geen feiten of omstandigheden oplevert die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn de bewaring na afweging van de betrokken belangen op te heffen. Van onevenredigheid is geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

12. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.

13. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.