Overwegingen
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 7 januari 2026 (in de zaak NL25.63221) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
3. Eiser meent dat het enkele indienen van een laissez-passer (lp) aanvraag onvoldoende is om te concluderen dat er voor hem zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko bestaat. Eiser betoogt in dat verband dat er geen reactie is ontvangen van de Marokkaanse autoriteiten en dat niet duidelijk is wanneer een reactie verwacht kan worden.
4. De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiser sprake is van een redelijk vooruitzicht op verwijdering. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269, 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033, en 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219. De rechtbank ziet in de stellingen van eiser geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in zijn specifieke geval is komen te ontbreken. Het lp-traject voor eiser loopt vooralsnog ongeveer een week. Mede gelet op de zeer korte duur tussen het indienen van de lp-aanvraag en het sluiten van het onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat voor eiser geen lp zal worden afgegeven. Voor de vraag of zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het geval van eiser bestaat, is ook van belang of eiser zijn volledige en actieve medewerking verleent aan het onderzoek ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit, en aan zijn uitzetting. Van eiser mag worden verwacht dat hij zelf in het kader van de op hem rustende meewerkverplichting alles in het werk stelt om terugkeer naar zijn land van herkomst mogelijk te maken. Eiser heeft dat niet gedaan. Zo blijkt uit het vertrekgesprek van 10 februari 2026 dat eiser te kennen heeft gegeven onder geen enkele omstandigheid terug te willen keren naar Marokko. Dat eisers lp-aanvraag en bewaring mede als gevolg van zijn niet-meewerkende houding langer voortduren, komt voor zijn eigen rekening en risico. De beroepsgrond slaagt niet.
5. De rechtbank merkt in dit kader ten overvloede op dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, van de Vw (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1552).
6. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn verwijdering. Daartoe stelt hij dat hij reeds sinds 24 december 2025 in bewaring verblijft, maar dat pas op 10 februari 2026 door verweerder een concrete handeling is verricht ten behoeve van zijn uitzetting.
7. Allereerst merkt de rechtbank op dat bij een bewaring krachtens artikel 59b van de Vw is verweerder niet gehouden is voortvarend handelingen ter voorbereiding van de uitzetting te verrichten die daadwerkelijk kunnen bijdragen aan de bespoediging van de feitelijke uitzetting, omdat zicht op uitzetting voor een dergelijke inbewaringstelling geen voorwaarde is (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553). Wel dient verweerder voldoende voortvarend te handelen in de asielprocedure van eiser. Uit het dossier blijkt dat in het kader van eisers asielaanvraag op 2 januari 2026 een aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden en op 4 januari 2026 een nader gehoor. Vervolgens heeft eiser op 6 januari 2026 een voornemen ontvangen, waarop hij op 20 januari 2026 een zienswijze heeft ingediend. Bij besluit van 21 januari 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en bepaald dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod van 18 december 2025 weer van toepassing worden geacht. In dat besluit is eisers inbewaringstelling tevens met drie maanden verlengd op grond van artikel 59b, derde lid. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Op 16 februari 2026 zijn het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. Vanaf dat moment verblijft eiser niet langer rechtmatig in Nederland. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld bij de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Dat verweerder op 10 februari 2026 tevens een voorbereidende handeling heeft verricht, maakt dit niet anders. Verweerder mag ook hangende het beroep dergelijke voorbereidende stappen zetten (zie de uitspraak van 19 november 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:5548). De beroepsgrond slaagt niet.
8. Voor wat betreft de vraag of verweerder een belangenafweging had moeten maken overweegt de rechtbank als volgt. De huidige bewaringsmaatregel is opgelegd op 24 december 2025, wat betekent dat eiser ongeveer twee maanden in bewaring zit. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij de voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaanden-termijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in eisers geval niet gebleken.
9. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
10. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.