Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:4265
Op 4 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.61175, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4265. De plaats van zitting was Den Haag.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. B. de Haan),
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. Y. Makarevich).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 7 november 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 december 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
1.1.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. (Voetnoot 1)
1.2.
De rechtbank heeft bepaald dat een behandeling op zitting achterwege blijft, omdat partijen hebben aangegeven dat zij hier geen gebruik van wensen te maken. (Voetnoot 2) De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser een actueel en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Dat is volgens de rechtbank niet het geval. Daartoe overweegt zij als volgt.
3. De minister heeft de rechtbank op 24 december 2025 bericht dat eiser op 22 december 2025 met onbekende bestemming (MOB) vertrokken is gemeld, omdat eiser zelfstandig zijn woonruimte heeft verlaten. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens op 18 februari 2026 bericht dat hij sindsdien geen contact heeft met eiser en dat hij ook niet op de hoogte is van zijn verblijfsplaats.
3.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, die vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming. Dit is anders als de vreemdeling na een MOB-melding nog contact onderhoudt met zijn gemachtigde. In dat geval kan worden aangenomen dat de vreemdeling nog prijs stelt op bescherming in Nederland. Dit is weer anders als er andere concrete aanknopingspunten bestaan dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland, bijvoorbeeld omdat de vreemdeling in het buitenland verblijft. In het licht van het fundamentele recht op toegang tot de rechter en een doeltreffende en effectieve rechtsbescherming, moet voorzichtig worden omgegaan met het niet-ontvankelijk verklaren van een beroep op basis van een MOB-melding. (Voetnoot 3)
3.2.
Op basis van de informatie van de minister en de gemachtigde van eiser, neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Er zijn geen concrete aanknopingspunten om anders te oordelen.
4. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoot
Voetnoot 1
Zaaknummer NL25.61176
Voetnoot 2
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
Voetnoot 3
Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2662).