RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 (Voetnoot 1). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is maar dat de rechtsgevolgen (de afwijzing van de asielaanvraag) in stand kunnen blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 december 2019 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 20 oktober 2022 heeft de minister de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.
2.1.
Op 22 maart 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het door eiser ingesteld beroep gegrond verklaard (Voetnoot 2), het besluit van 20 oktober 2022 vernietigd en de minister opgedragen opnieuw op de aanvraag van eiser te beslissen
2.2.
Bij besluit van 25 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser opnieuw afgewezen als ongegrond.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft zijn land van herkomst verlaten omdat hij homoseksueel is en door zijn huurbaas is betrapt terwijl hij samen was met zijn partner [naam]. Volgens eiser heeft de huurbaas dit voorval aan de politie gemeld, en hen verteld over zijn geaardheid. Als gevolg hiervan is eiser gevlucht en heeft hij het land verlaten.
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotief:
de identiteit, nationaliteit en herkomst;
de seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
4.1.
Bij het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar acht de seksuele gerichtheid en de daaruit volgende problemen niet geloofwaardig. De minister stelt zich vervolgens op het standpunt dat de geloofwaardige asielmotieven er niet toe leiden dat eiser een asielvergunning krijgt.
5. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser beoordelen.
6. De minister heeft in het besluit van 20 oktober 2022 het referentiekader geschetst waarmee rekening is gehouden bij de besluitvorming. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 22 maart 2024 is overwogen dat voldoende inzichtelijk is hoe met het referentiekader van eiser rekening is gehouden en dat er geen aanknopingspunten bestaan dat eiser beperkt is geweest in het verklaren over zijn seksuele gerichtheid of dat zijn verklaringen om die reden anders zouden moeten worden beoordeeld. Daarmee is dit punt in de vorige procedure in rechte vast komen te staan.
6.1.
In de onderhavige procedure stelt eiser in zijn beroepsgronden opnieuw zijn referentiekader aan de orde. Gelet op het voorgaande valt dit echter buiten de omvang van het geding. De vraag die thans ter beoordeling voorligt, is of de minister met het bestreden besluit heeft voldaan aan de opdracht van de rechtbank, inhoudende dat de relatie van eiser nader dient te worden onderzocht door middel van een aanvullend gehoor en dat naar aanleiding daarvan gemotiveerd moet worden wat dit betekent voor de geloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksuele gerichtheid als geheel. Het geding beperkt zich derhalve tot deze onderwerpen. De rechtbank zal deze punten hierna beoordelen.
Geloofwaardigheid seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen
7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van de minister ter zitting de overwegingen in het bestreden besluit over eisers kennis van LHBT-organisaties in Oeganda heeft laten vallen. Reeds hierom is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en daarmee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep is in zoverre gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, zoals hierna wordt toegelicht.
8. Allereerst heeft eiser in het onderzoek naar de relatie van eiser zijn seksuele gerichtheid en de problemen die daaruit volgen niet met doorslaggevende documenten onderbouwd. De minister heeft, nu het asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, de geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen ten aanzien van de geloofwaardigheid. (Voetnoot 3) De minister heeft daarbij sub c van artikel 31, zesde lid van de Vw aan eiser tegengeworpen.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser over zijn persoonlijke beleving van zijn seksuele gerichtheid summier, oppervlakkig en algemeen heeft verklaard. Gelet op het door eiser gestelde besef van zijn homoseksuele gerichtheid sinds 1998 en zijn referentiekader, heeft de minister in redelijkheid van eiser mogen verwachten dat hij meer persoonlijk en concreet kon verklaren over zijn gedachten, gevoelens en innerlijke ontwikkeling. Dat eiser, ondanks herhaald en op verschillende manieren doorvragen tijdens zowel het nader gehoor als het aanvullend gehoor, is blijven steken in algemene bewoordingen zoals angst, verwarring en moeite met acceptatie, heeft de minister als onvoldoende mogen aanmerken.
Voorts heeft de minister mogen meewegen dat eiser in de correcties en aanvullingen uitgebreider heeft verklaard over zijn gevoelens dan tijdens de gehoren, terwijl tussen deze momenten slechts korte tijd is verstreken. Dat eiser tijdens het aanvullend gehoor opnieuw geen nadere persoonlijke verdieping heeft kunnen geven, heeft de minister in redelijkheid kunnen betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid.
Daarnaast heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser tegenstrijdig en niet logisch heeft verklaard over zijn relaties en levenskeuzes. Zo heeft eiser verklaard dat hij een kind heeft gekregen om door de buitenwereld als heteroseksueel te worden gezien en daarmee verdenking te voorkomen. In het licht van deze verklaring valt echter niet in te zien waarom eiser vervolgens, nadat hij al als heteroseksueel werd gezien, bij een andere vrouw nog een tweede kind heeft gekregen. De minister heeft deze innerlijke tegenstrijdigheid in redelijkheid in het nadeel van eiser mogen meewegen.
Ook ten aanzien van de door eiser gestelde relaties met mannen heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze de gestelde homoseksuele gerichtheid niet geloofwaardig maken. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het bestaan en de ernst van zijn relatie met Geofrey, door enerzijds te stellen dat sprake was van een niet-serieuze relatie, terwijl hij anderzijds heeft verklaard dat hij reeds geruime tijd gevoelens voor hem had. Dat eiser bovendien niet uit eigen beweging over deze relatie heeft verklaard tijdens het nader gehoor, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid is gesteld, heeft de minister eveneens mogen betrekken.
8.2.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat zijn relatie met [naam] in Nederland aanleiding geeft om zijn seksuele gerichtheid alsnog geloofwaardig te achten, volgt de rechtbank hem daarin niet. De minister heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, ook indien wordt uitgegaan van het bestaan van contact of een relatie tussen eiser en [naam], deze verklaringen en feitelijkheden op zichzelf onvoldoende zijn om eisers gestelde homoseksuele gerichtheid aannemelijk te achten. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid spelen de relaties van eiser weliswaar een rol maar ligt het zwaartepunt bij de eigen verklaringen van eiser over zijn persoonlijke beleving, gevoelens en innerlijke ontwikkeling. Zoals hiervoor is overwogen, heeft eiser op dit punt onvoldoende inzichtelijk en persoonlijk verklaard.
8.3.
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser zijn seksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Nu de seksuele gerichtheid niet geloofwaardig is geacht, heeft de minister zich eveneens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de daaruit voortvloeiende problemen niet aannemelijk zijn. De rechtbank ziet daarom aanleiding om, ondanks het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 Awb (Voetnoot 4). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb in stand te laten.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.