Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:4486

Op 5 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.4626, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4486. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.4626
Datum uitspraak:
5 March 2026
Datum publicatie:
6 March 2026

Indicatie

Asielaanvraag – Kameroen - alcoholprobleem – BMA-advies – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.4626

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. I.M. Hidding),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. A.A.J. Willems).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2025 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting aangehouden om verweerder in de gelegenheid te stellen een BMA (Voetnoot 1)-advies op te vragen. Partijen hebben daarbij afgezien van een vervolgzitting voor nadere behandeling van het beroep.

Op 17 oktober 2025 heeft verweerder het BMA-advies overgelegd. Eiser heeft hier schriftelijk op gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank op 20 november 2025 aan eiser een termijn gegeven om de reactie van het ziekenhuis in Yaoundé af te wachten en verweerder verzocht te reageren op de aanvullende beroepsgronden van eiser. Bij bericht van 10 december 2025 heeft eiser aangegeven deze reactie niet te hebben ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1977 en heeft de Kameroense nationaliteit. Hij heeft op 22 maart 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij legt daaraan ten grondslag dat hij Kameroen heeft verlaten in 2003 vanwege de conflictsituatie in dat land. Hij heeft zich aangesloten bij de [oppositiepartij] . Eiser heeft van 2003 tot en met 2021 in Zuid-Afrika gewoond. In 2021 is hij naar Kameroen gegaan om zijn zieke vader op te zoeken. Tijdens de uitreis in 2021 is eiser aangehouden, gearresteerd en vastgezet op het vliegveld, omdat hij werd beschuldigd van lidmaatschap van de [oppositiepartij] wegens zijn deelname aan de bijeenkomsten in Zuid-Afrika. Eiser is middels omkoping vrijgelaten. Hij vreest bij terugkeer voor de dood.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook wordt geloofwaardig geacht dat eiser tegen het regime van Kameroen is, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij wegens deze politieke overtuiging te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Kameroen. Verder acht verweerder eisers gestelde politieke activiteiten en de daaruit volgende problemen ongeloofwaardig. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was.

3. Eiser erkent dat hij niet direct asiel heeft aangevraagd, maar hij was op dat moment veilig in Nederland en kon werken. Hij meent dat het te ver gaat om zijn aanvraag kennelijk ongegrond te verklaren. Dit ook gelet op zijn alcoholprobleem. Verder stelt eiser dat het toetsingskader dat verweerder hanteert in strijd is met het Unierecht. Verweerder gebruikt artikel 31, zesde lid, van de Vw (Voetnoot 2) ten onrechte als checklist omdat documenten ontbreken. Alleen in de Nederlandse versie van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn (Voetnoot 3) worden de termen 'geloofwaardig' en 'voordeel van de twijfel' gebruikt. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025. (Voetnoot 4) Eiser stelt verder dat hij een goede verklaring heeft voor het ontbreken van documenten: hij is zijn tas verloren in Nederland en heeft geen documenten over zijn arrestatie. Het enkel tegenwerpen dat eiser de door hem genoemde video-opname van zijn aanwezigheid bij een bijeenkomst van [oppositiepartij] niet heeft overgelegd, is onvoldoende. Daarnaast heeft eiser een serieus alcoholprobleem. Dit belemmert hem in zijn communicatie met VluchtelingenWerk en zijn gemachtigde en het regelen van zaken die in zijn belang zijn. Verweerder heeft het MediFirst-advies niet bij de beoordeling betrokken. Daarom kunnen ook geen samenhangende en aannemelijke verklaringen van hem worden verwacht. Hij heeft niet ongerijmd verklaard, hij weet het gewoonweg niet. Hij kan niet in het hoofd van de autoriteiten kijken. Daarnaast heeft eiser zijn vrees voor vervolging vanwege zijn politieke overtuiging aannemelijk gemaakt. Niet is ongeloofwaardig geacht dat eiser eerder is opgepakt en gearresteerd. Er is een risico dat dit in de toekomst weer gebeurt, daarom moet ook het reëel en geïndividualiseerd risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 5) bij terugkeer worden getoetst. Tot slot meent eiser dat verweerder ten onrechte stelt dat er geen bewijs is dat hij onder behandeling staat. Hij verwijst daartoe naar vraag 3a van het MediFirst-advies en het overgelegde medisch dossier. Verder heeft eiser nog een brief en e-mail van Iriszorg overgelegd, waaruit blijkt dat hij is doorverwezen voor een verslavingsbehandeling.

4. Naar aanleidingvan het BMA-advies heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser in staat is om te reizen naar Kameroen en dat de voor eiser benodigde zorg beschikbaar is in Kameroen. Het BMA concludeert dat bij het uitblijven van de verslavingsbehandeling niet verwacht wordt dat binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie ontstaat. De beschikbare behandeling is voldoende om een medische noodsituatie binnen die termijn te voorkomen. Verweerder ziet dan ook geen aanleiding om aan eiser uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw te verlenen.

5. Naar aanleiding van het BMA-advies stelt eiser dat uit het BMA-advies volgt dat de geneesmiddelen disulfiram en thiamine niet aanwezig zijn in Kameroen, en dat daarvoor geen alternatieve geneesmiddelen zijn. Eiser gebruikt deze medicijnen voor zijn verslavingsbehandeling. Het lijkt erop dat bij de beoordeling van de gevolgen van het uitblijven van de verslavingsbehandeling niet wordt beoordeeld wat dit betekent voor de depressieve klachten met suïcidaliteit. Het advies is op dit punt onvoldoende inzichtelijk. Verweerder had zich ervan moeten vergewissen of het suïciderisico is betrokken bij de conclusie dat er geen medische noodsituatie zal ontstaan binnen drie tot zes maanden. Daarnaast stelt eiser dat de termijn van drie tot zes maanden alleen indicatief genoemd mag worden wanneer het BMA deze periode niet als standaard gebruikt. Verweerder had aan het BMA moeten vragen of het in eisers geval nodig is om vast te houden aan de drie tot zes maanden, of dat hiervan moet worden afgeweken. Het BMA-advies is daarom niet in lijn met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in de zaak X. tegen Nederland. (Voetnoot 6) Hieruit volgt dat een lidstaat niet een vooraf vastgestelde absolute termijn mag hanteren, omdat rekening gehouden moet worden met alle relevante factoren en met de mate van onzekerheid die inherent is aan een onderzoek naar de medische noodsituatie die in de toekomst kan intreden. Het Hof benoemt daarbij niet dat een snelle en onomkeerbare achteruitgang binnen zes maanden of een andere termijn zou moeten plaatsvinden, dit is de invulling van verweerder zelf. Verweerder lijkt de indruk te wekken dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt, terwijl het Hof heeft overwogen dat het de plicht van verweerder is om de concrete situatie te onderzoeken. Verder gaat verweerder niet in op de toegankelijkheid van de medische zorg in Kameroen. Onder verwijzing naar het reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse zaken stelt eiser dat sprake is van bijzondere veiligheidsrisico’s in de regio waar de genoemde ziekenhuizen zijn gevestigd. Uit het Belgische reisadvies volgt zelfs dat het niveau van de zorg in plaatselijke ziekenhuizen onder de Europese maatstaven is. Uit een artikel van April International blijkt dat het gezondheidszorgsysteem in Kameroen kampt met grote problemen. Eiser zal zijn aangewezen op een privé-verzekering, maar hij heeft geen inkomen en hij kan zich een dergelijke verzekering niet veroorloven. Uit het arrest X. tegen Nederland volgt ook dat verweerder zich ervan dient te vergewissen of eiser niet alleen tijdens de verwijdering uit Nederland, maar ook in het land van terugkeer passende zorg ontvangt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. In verweerders nieuwe beleid, opgenomen in WI 2024/6, in werking getreden op 1 juli 2024, staat dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas in twee stappen plaatsvindt. In stap 1 worden de feiten en omstandigheden geïdentificeerd en wordt het asielrelaas vastgesteld. Het asielrelaas bestaat alleen uit de feiten en omstandigheden die verband houden met of relevant zijn voor de beoordeling of de vreemdeling te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade. Een asielrelaas kan bestaan uit één of meer (losse) asielmotieven. Onder het asielmotief vallen de feiten en omstandigheden die voor de vreemdeling reden vormen voor het aanvragen van bescherming. In stap 2 wordt de geloofwaardigheid van het asielmotief beoordeeld. Daarbij wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende kan worden onderbouwd met objectieve documenten wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). In dat geval wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Als het asielmotief onvoldoende is onderbouwd met documenten en de vreemdeling niet voldoet aan één of meerdere van de vijf voorwaarden, is het asielmotief niet geloofwaardig.

7. Het is niet onredelijk dat verweerder eerst heeft beoordeeld of eiser objectieve documenten heeft ingediend (stap 2a). Als dergelijke documenten aanwezig zijn, is een uitgebreide geloofwaardigheidsbeoordeling namelijk niet noodzakelijk. In het geval van eiser is geen enkel document overgelegd dat eisers asielmotieven kan staven. Daarbij komt dat de vaststelling van verweerder, dat geen objectieve documenten zijn overgelegd, niet betekent dat het asielmotief per definitie ongeloofwaardig wordt geacht. Dit volgt namelijk niet uit WI 2024/6. In deze werkinstructie staat dat verweerder met stap 2b rekening houdt met de omstandigheid dat van een vreemdeling doorgaans niet verwacht kan worden dat hij zijn relaas volledig met bewijsmateriaal staaft. Ook het bestreden besluit bevat geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder het asielmotief op voorhand ongeloofwaardig vindt omdat geen objectieve documenten zijn overgelegd. Uit het voornemen volgt dat verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser heeft beoordeeld en deze verklaringen ongeloofwaardig vindt, omdat deze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Om die reden is de gestelde vrees van eiser ongeloofwaardig geacht. De beoordeling van de verklaringen van eiser heeft dan ook een prominente rol gekregen bij de besluitvorming Dit komt overeen met het bepaalde in artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw. Artikel 31 van de Vw is een omzetting uit het Unierecht, namelijk artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. Eiser wordt dan ook niet gevolgd in zijn stelling dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht.

8. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn asielmotieven te staven met documenten. Zoals eerder overwogen heeft eiser geen documenten overgelegd. De enkele stelling dat hij deze zou zijn verloren doet daar niet aan af. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij mogelijk een video-opname heeft van de bijeenkomsten in Zuid-Afrika waarop zijn gezicht te zien is. Hij stelt deze niet te hebben opgezocht omdat hij niet wist dat het belangrijk was. Dat is echter geen verschoonbare reden voor het niet overleggen van deze opname. Vervolgens heeft eiser deze ook bij de correcties en aanvullingen, de zienswijze of in beroep niet overgelegd. Verweerder mag dit, anders dan eiser stelt, aan hem tegenwerpen.

9. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat eiser zijn asielmotieven ook niet met zijn verklaringen aannemelijk heeft gemaakt, omdat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard. Hierbij is van belang dat hij vaag en summier heeft verklaard over de inhoud en de omvang van de bijeenkomsten van de [oppositiepartij] in Zuid-Afrika. Ook is vaag en oppervlakkig verklaard over de frequentie waarmee eiser heeft deelgenomen aan de bijeenkomsten. Van eiser mag worden verwacht dat hij gedetailleerd en uitgebreid kan verklaren over zijn gestelde deelname aan de bijeenkomsten van de oppositiepartij. Hij heeft namelijk zijn deelname aan deze bijeenkomsten aangevoerd als één van de directe redenen van zijn vertrek uit Kameroen. Verder heeft hij ongerijmd verklaard over zijn aanhouding, arrestatie en detentie vanwege zijn deelname aan de bijeenkomsten in Zuid-Afrika. Wat betreft zijn alcoholprobleem en de belemmeringen die daardoor worden veroorzaakt, stelt de rechtbank voorop dat eiser zelf verantwoordelijk is voor zijn alcoholgebruik. Dat hij daardoor belemmerd wordt in het naar voren brengen van zijn asielrelaas, en geen samenhangende en aannemelijke verklaringen kan geven, komt daarom voor zijn rekening en risico.

10. Concluderend heeft verweerder gesteld dat de gestelde problemen met de autoriteiten in Kameroen niet aannemelijk worden geacht. Dit impliceert ook dat verweerder de gestelde arrestatie ongeloofwaardig heeft geacht, in tegenstelling tot wat eiser stelt. De rechtbank volgt verweerders standpunt over de ongeloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen, zoals blijkt uit voorgaande overwegingen. Dit betekent dan ook dat verweerder niet hoeft te toetsen of sprake is van een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM omdat eiser in het verleden al is vervolgd.

11. Eiser wordt niet gevolgd in zijn stelling dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn alcoholprobleem en het advies van MediFirst. In het advies van MediFirst van 30 augustus 2024 staat dat eiser kan worden gehoord. Wel heeft eiser bij MediFirst gesteld onder behandeling te zijn vanwege verslavingsproblematiek. Er is ook sprake van suïcidale gedachtes. Eiser heeft aangegeven vermoeidheidsklachten te ervaren door verminderd slapen. Aan de gehoormedewerker is daarom het advies gegeven om een pauze in te lassen wanneer eiser meedeelt dat hij vermoeidheidsklachten heeft of wanneer de gehoormedewerker het zelf signaleert. Uit het rapport van het nader gehoor van 15 januari 2025 blijkt dat voldoende aandacht is besteed aan het advies van MediFirst. Met eiser is besproken wat er in het advies staat, te weten de vermoeidheidsklachten, zijn suïcidale gedachten, de verslavingsproblematiek en zijn problemen met exacte data benoemen. Hij heeft verklaard dat er niets was waar rekening mee gehouden diende te worden en dat hij in staat was om het gehoor te laten plaatsvinden. In het begin van het gehoor heeft de gehoormedewerker aan eiser meegedeeld dat als eiser behoefte heeft aan pauzes, hij dit kan melden. Vastgesteld wordt dat tijdens het gehoor pauzes zijn genomen en regelmatig aan eiser is gevraagd hoe het gaat. Met het advies van MediFirst is dan ook voldoende rekening gehouden.

12. Uit de beroepsgronden blijkt dat eiser de afwijzing van zijn aanvraag als kennelijk ongegrond betwist. Eiser is Nederland ingereisd op 15 augustus 2022 met een visum, dat is verlopen op 27 september 2022. Hij heeft echter pas op 22 maart 2023 asiel aangevraagd. Bij een oprechte dringende behoefte aan bescherming mag van eiser worden verwacht dat hij direct een asielaanvraag indient, ongeacht of hij zich op dat moment veilig voelde en kon werken. Dat eiser kampt met een alcoholverslaving is geen verschoonbare reden voor een dergelijke termijnoverschrijding. Verweerder heeft de asielaanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw, nu eiser zich zonder gegronde reden pas zeven maanden na binnenkomst in Nederland heeft gemeld voor asiel.

BMA-advies

13. Een BMA-advies is aan te merken als een deskundigenadvies. Als verweerder een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient verweerder zich ervan te vergewissen dat dit naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij de beoordeling van een aanvraag van dit advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid. (Voetnoot 7)

14. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het BMA-advies van 13 oktober 2025 naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Wat eiser heeft aangevoerd leidt niet tot twijfel over de juistheid of volledigheid van het advies. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het BMA-advies. Het suïciderisico is namelijk wel degelijk betrokken in samenhang met de verslavingsproblematiek van eiser. (Voetnoot 8)

15. Verder is de rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiser niet een onjuiste termijn heeft gehanteerd. Nu het gaat om uitstel van vertrek van iemand die in beginsel verplicht is Nederland te verlaten, is het niet onredelijk en onontkoombaar dat een tijdsduur in ogenschouw wordt genomen. De wijze waarop verweerder het beleid over uitstel van vertrek op medische gronden op basis van de door eiser aangehaalde uitspraak van het Hof in de zaak X heeft uitgewerkt (Voetnoot 9) en dat eruit bestaat dat geen strikte termijn maar een indicatieve termijn met een marge van een aantal maanden wordt gehanteerd, acht de rechtbank in overeenstemming met het genoemde arrest. De rechtbank ziet een bevestiging van dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2023. (Voetnoot 10) De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in de situatie van eiser anders over te oordelen. Eiser heeft immers niet met medische stukken of anderszins aannemelijk gemaakt dat de gehanteerde termijn te strikt is of dat verweerder niet of onvoldoende rekening gehouden heeft met de concrete aandoeningen waaraan hij lijdt.

16. Uit vaste rechtspraak (Voetnoot 11) van de Afdeling, gebaseerd op het arrest [naam 2] (Voetnoot 12), volgt dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt en dat, indien deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is.

17. Met de stelling dat het door BMA genoemde ziekenhuis zich in een regio bevindt waar sprake is van bijzondere veiligheidsrisico’s heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de zorg niet feitelijk toegankelijk is. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij de kosten niet kan betalen. Eiser heeft dan ook niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

18. De rechtbank stelt vast dat verweerder hangende het beroep pas een BMA-advies heeft gevraagd. Deze adviesaanvraag is echter gedaan naar aanleiding van de door eiser in beroep overgelegde stukken waaruit blijkt dat hij onder medische behandeling staat voor zijn verslavingsproblemen. Verweerder was daarom niet gehouden om reeds voorafgaande aan het bestreden besluit een BMA-advies te vragen. Weliswaar wordt in het advies van MediFirst van 30 augustus 2024, dat voorafging aan het nader gehoor, melding gemaakt van medische klachten van eiser, maar dit is op basis van eisers eigen verklaring dat hij onder behandeling staat. Onderbouwing daarvan is echter in de besluitvormingsfase achterwege gebleven.

19. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoot

Voetnoot 1

Bureau Medische Advisering.

Voetnoot 2

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 3

Richtlijn 2011/95/EU.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RBDHA:2025:136.

Voetnoot 5

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 6

Arrest van van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913.

Voetnoot 7

Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674.

Voetnoot 8

Zie pagina 4 van het BMA-advies van 13 oktober 2025.

Voetnoot 9

Zie WBV 2023/16 en WI 2024/2.

Voetnoot 10

ECLI:NL:RVS:2023:4789.

Voetnoot 11

Zie onder meer de uitspraak van 26 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2046.

Voetnoot 12

Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.