Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben. Eiser wil in Nederland verblijven bij zijn moeder en halfbroertje. Daarom is namens eiser op 31 juli 2023 een aanvraag ingediend tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het [arrest] . (Voetnoot 1)
2. Bij besluit van 25 april 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd. Verweerder heeft overwogen dat eiser meerderjarig is en dat hij alleen al daarom niet valt onder de reikwijdte van het [arrest] . Daarnaast heeft verweerder geconcludeerd dat eiser ook niet onder de reikwijdte van het arrest K.A. (Voetnoot 2) valt, omdat de familierechtelijke relatie met zijn gestelde moeder niet is aangetoond en ook is niet gebleken dat er sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen hen dat zij op geen enkele manier van elkaar gescheiden kunnen worden. Verder heeft verweerder overwogen dat van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM (Voetnoot 3) geen sprake is, nu eiser de familierechtelijke relatie met zijn gestelde moeder niet heeft aangetoond.
3. Eiser voert het volgende aan. Verweerder heeft ten onrechte overwogen dat eiser om de enkele reden dat hij meerderjarig is niet onder de reikwijdte van het [arrest] valt. Eiser verwijst hierbij naar het arrest E.K., (Voetnoot 4) waaruit volgt dat een afhankelijkheidsverhouding in beginsel niet van korte duur is en zich over een aanzienlijke periode kan uitstrekken. Verweerder heeft ten onrechte niet onderzocht of de afhankelijkheidsverhouding tussen eiser en zijn moeder op het moment van de aanvraag reeds aanleiding gaf tot het ontstaan van een Unierechtelijk verblijfsrecht. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte de overgelegde geboorteakte onvoldoende geacht om de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn moeder aan te tonen. Onder de gegeven omstandigheden is het disproportioneel om dit document terzijde te schuiven vanwege het ontbreken van legalisatie. Verder heeft verweerder ten onrechte niet getoetst of sprake is van een afhankelijkheidsverhouding zoals bedoeld in het arrest K.A. Daarbij wijst eiser op de verklaringen van zijn moeder tijdens de hoorzitting, waaruit blijkt dat eiser psychisch en emotioneel afhankelijk is van zijn moeder. Voorts heeft verweerder miskend dat artikel 8 van het EVRM geen formeel bewijs van juridische afstamming vereist, maar een beoordeling van feitelijke affectieve banden betreft. Verweerder was gehouden een belangenafweging te maken, omdat de affectieve band tussen eiser en zijn moeder evident is. Tot slot heeft verweerder nagelaten om het belang van het kind als eerste overweging te betrekken in de besluitvorming.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Beroep op de arresten [arrest] en E.K.
4. Het beroep van eiser op het [arrest] slaagt niet. Verweerder heeft terecht de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit als uitgangspunt genomen bij de beoordeling van de aanvraag. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 18 juni 2024. (Voetnoot 5) Niet in geschil is dat eiser tijdens de aanvraagprocedure, voorafgaand aan het primaire besluit, meerderjarig is geworden. Nu het [arrest] betrekking heeft op minderjarige kinderen, heeft verweerder dan ook terecht geconcludeerd dat eiser niet onder de reikwijdte van het [arrest] valt.
5. Ook het beroep op het arrest E.K. slaagt niet. Dat uit dit arrest volgt dat een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU (Voetnoot 6) van langere duur kan zijn, betekent nog niet dat in eisers geval sprake is van een voorgezet verblijfsrecht. Eiser heeft niet uitgelegd waarom hij een rechtmatig voortgezet verblijfsrecht zou kunnen ontlenen aan een al ten tijde van zijn minderjarigheid ontstaan afgeleid verblijfsrecht.
Beroep op het arrest K.A.
6. Een derdelander kan een afgeleid verblijfsrecht aan artikel 20 van het VWEU ontlenen als sprake is van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie met een Unieburger in die zin dat zij feitelijk niet van elkaar kunnen worden gescheiden. Uit het arrest K.A. volgt dat dit bij twee meerderjarige familieleden slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde is. Het is aan eiser om die afhankelijkheid met objectieve en verifieerbare stukken aannemelijk te maken.
7. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van een familierechtelijke relatie tussen hem en zijn gestelde moeder. De door eiser overgelegde geboorteakte heeft verweerder onvoldoende kunnen achten, omdat deze niet voldoet aan de voorwaarden die aan Nigeriaanse akten worden gesteld. De geboorteakte is namelijk tardief opgemaakt en niet gelegaliseerd. De stelling van eiser dat het onredelijk is dat verweerder de geboorteakte onvoldoende acht vanwege het ontbreken van legalisatie, wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat verweerder tijdens de hoorzitting heeft opgemerkt dat dit document legalisatie behoeft. Ook heeft verweerder terecht erop gewezen dat op het aanvraagformulier is opgenomen dat officiƫle buitenlandse documenten gelegaliseerd moeten worden overgelegd en dat bovendien van een gemachtigde mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de eisen die aan buitenlandse documenten worden gesteld.
8. Daarnaast ontbreken objectieve en verifieerbare stukken die wijzen op de uitzonderlijke afhankelijkheid die artikel 20 van het VWEU vereist. Eiser heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat zijn gestelde moeder zonder zijn aanwezigheid niet zelfstandig kan functioneren of dat scheiding ertoe leidt dat de Unieburger het grondgebied van de Europese Unie zou moeten verlaten. De enkele verklaringen van de gestelde moeder van eiser tijdens de hoorzitting zijn daartoe onvoldoende.
9. Gelet op het ontbreken van onderbouwing van zowel de familieband als van de gestelde uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het arrest K.A en artikel 20 van het VWEU.
Beroep op artikel 8 van het EVRM
10. Verweerder heeft terecht overwogen dat tussen eiser en zijn gestelde moeder geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM kan worden vastgesteld, omdat de familierechtelijke relatie tussen hen niet is aangetoond. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (Voetnoot 7) volgt dat verweerder geen belangenafweging hoeft te verrichten indien geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. (Voetnoot 8) Anders dan eiser stelt, heeft verweerder in het bestreden besluit dan ook geen belangenafweging hoeven maken.
11. Eiser wordt verder ook niet gevolgd in zijn stelling dat ten onrechte het belang van het kind niet als eerste overweging is betrokken bij de besluitvorming. Daarbij is van belang dat eiser ten tijde van de besluitvorming reeds meerderjarig was.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond.
13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.