Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:4711

Op 18 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AWB 25/9134 AWB 25/11628, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4711. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
AWB 25/9134 AWB 25/11628
Datum uitspraak:
18 February 2026
Datum publicatie:
9 March 2026

Indicatie

Terugkeerbesluit, inreisverbod, voorneemprocedure grensdoorlaatpost, formulieren voorneemprocedure, strijd met zorgvuldigheidsbeginsel, beroepen gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 25/9134 en AWB 25/11628

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen [eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. K.L. Sett),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: M. Berkelmans).

Samenvatting
1.1.

Deze uitspraak gaat over een uitgevaardigd terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het hier niet mee eens en voert tegen beide besluiten een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser

1.2.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep tegen het terugkeerbesluit en het beroep tegen het inreisverbod gegrond zijn. De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Eiser krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop
1.3.

Op 24 maart 2025 heeft de minister tijdens de uitreiscontrole op de grensdoorlaatpost op [luchthaven] vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) heeft.

1.4.

Bij besluit van 24 maart 2025 heeft de minister eiser opgedragen Nederland, het grondgebied van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte en Zwitserland binnen een termijn van 28 dagen te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit).

1.5.

Tevens heeft de minister op dezelfde dag het voornemen geuit eiser een inreisverbod op te leggen. Eiser heeft op 27 april 2025 een zienswijze ingediend tegen dit voornemen.

1.6.

Bij besluit van 1 mei 2025 heeft de minister aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

1.7.

Eiser heeft tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod beroep ingesteld. Het beroep tegen het terugkeerbesluit is geregistreerd onder zaaknummer AWB 25/9134. Het beroep tegen het inreisverbod is geregistreerd onder het zaaknummer AWB 25/11628.

1.8.

De rechtbank heeft de beroepen op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving vooraf, niet verschenen.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Inzake het beroep tegen het terugkeerbesluit (AWB 25/9134)

2. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. De minister was dan ook op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) gehouden een terugkeerbesluit tegen eiser uit te vaardigen.

3. Eiser voert primair in beroep aan dat hij ten onrechte niet de gelegenheid heeft gekregen om zijn zienswijze kenbaar te maken. Dat eiser schriftelijk zou hebben aangegeven daar geen belang aan te hechten, is niet juist. Eiser is de Nederlandse taal niet machtig en het is niet duidelijk of aan eiser een Chinese vertaling van de stukken is overgelegd of dat een tolk in de Chinese taal de stukken heeft vertaald.

4. In paragraaf A4/2.4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) staat de voorneemprocedure aan de grensdoorlaatpost omschreven. Hierin staat onder andere dat voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit, de ambtenaar uitvoering moet geven aan de hoorplicht, zoals bedoeld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

5. Ter zitting heeft de rechtbank de minister verzocht om nader toe te lichten op welke wijze eiser is gewezen op de mogelijkheid om zijn zienswijze kenbaar te maken of te worden gehoord. De minister heeft verklaard dat het voornemen om aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen volgens de standaardwerkwijze van de Koninklijke Marechaussee (KMar) aan eiser bekend is gemaakt. Deze standaardwerkwijze houdt in dat alle formulieren waar ‘Voornemenprocedure Chinees’ op staat in de Chinese taal aan de vreemdeling worden uitgereikt. De ambtenaar van de KMar neemt vervolgens op het Nederlandse formulier handmatig over wat de vreemdeling heeft ingevuld op het formulier met de in het Chinees gestelde vragen. In het geval van eiser is volgens de minister op het Chinese formulier ‘Gehoor terugkeerbesluit’ overal ‘nee’ door eiser aangevinkt, zodat eiser heeft aangegeven dat hij niet wil worden gehoord. Dat houdt ook in dat hij geen andere mogelijkheid krijgt om een zienswijze in te dienen. De minister heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat het door eiser ingevulde formulier in de Chinese taal niet meer beschikbaar is omdat deze formulieren niet door de KMar worden bewaard. Alleen het Nederlandse formulier waarop de ambtenaar van de KMar de door eiser ingevulde gegevens heeft overgenomen, is beschikbaar. Dit formulier is op ambtseed opgemaakt. Volgens de minister is deze werkwijze door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) akkoord bevonden. De minister heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:89).

6. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de dossierstukken en de toelichting van verweerder ter zitting niet kan worden vastgesteld dat eiser in de Chinese taal is gehoord en dat in zijn taal de stukken aan hem zijn overgelegd. Het terugkeerbesluit is in het Nederlands opgesteld en met pen ingevuld. Verder bevinden zich in het dossier een formulier ‘Gehoor terugkeerbesluit’, ‘Terugkeerbesluit’, ‘Voornemen Inreisverbod’, ‘Proces-Verbaal van bevindingen voornemenprocedure inreisverbod’ en een ‘Informatiefolder voornemen inreisverbod’. Bovenaan voornoemde formulieren is vermeld ‘Voornemenprocedure Chinees’ en ‘Dossier exemplaar’. Al deze formulieren zijn in het Nederlands opgesteld en met pen ingevuld. Onder punt 11 van het ‘Proces-verbaal van bevindingen voornemenprocedure inreisverbod’ is een kruisje gezet bij Chinees als zijnde de taal waarin het terugkeerbesluit alsmede het voornemen tot het uitvaardigen van een inreisverbod is uitgereikt.

7. De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande niet is gebleken dat de minister het terugkeerbesluit conform de werkwijze uit paragraaf A4/2.4.3 van de Vc heeft genomen. De enkele algemene stelling van de minister dat de KMar de betreffende stukken, inclusief het formulier ‘Gehoor terugkeerbesluit’ en de ‘Informatiefolder voornemen inreisverbod’, in de Chinese taal aan eiser heeft uitgereikt, omdat er op de formulieren staat ‘Voorneemprocedure Chinees’ acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Eiser betwist uitdrukkelijk dat hij heeft aangegeven dat hij afziet van het indienen van een zienswijze. Zoals de minister ter zitting heeft aangegeven is het niet mogelijk om te controleren of deze formulieren daadwerkelijk aan eiser in de Chinese taal zijn overhandigd, omdat deze formulieren niet door de KMar worden bewaard. Dit hoort niet voor rekening van eiser te komen. Bovendien kan van eiser niet worden verwacht dat hij begrijpt dat wanneer hij ‘nee’ antwoordt op vraag 1 en tot en met 6 van het formulier ‘Gehoor terugkeerbesluit’ en tevens ‘nee’ antwoordt op vraag 7 waarin wordt gevraagd of eiser wenst nader te worden gehoord, betekent dat hij hiermee ook afziet van het indienen van een zienswijze tegen het terugkeerbesluit. Dit staat immers niet met zoveel woorden vermeld op het formulier.

De stelling van de minister ter zitting dat uit de uitspraak van ABRvS van 19 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:89) volgt dat de onder 5. weergegeven werkwijze akkoord is bevonden, volgt de rechtbank niet. In die uitspraak werd immers de vraag beantwoord of de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen de werkwijze om aan een vreemdeling bij vertrek op [luchthaven] - wanneer illegaal verblijf wordt vastgesteld - een terugkeerbesluit en een voornemen voor een inreisverbod uit te reiken en vervolgens nadat de vreemdeling het grondgebied van de EU-lidstaten heeft verlaten een inreisverbod uit te vaardigen. In die uitspraak geeft de Afdeling geen oordeel over of de gestelde werkwijze terzake de gehanteerde formulieren daadwerkelijk is gevolgd en voldoende waarborgen biedt.

8. De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig is voorbereid en voor vernietiging in aanmerking komt. Aan de subsidiaire stellingen van eiser tegen het terugkeerbesluit komt de rechtbank dan niet meer toe.

Inzake het beroep tegen het inreisverbod (AWB 25/11628)

9. Gelet op artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, 62 en 62a van de Vw, ontvalt met de vernietiging van het terugkeerbesluit de grondslag van het inreisverbod. Een inreisverbod kan namelijk alleen worden uitgevaardigd aan een vreemdeling tegen wie een terugkeerbesluit is uitgevaardigd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4830). Gelet daarop dient ook het inreisverbod te worden vernietigd. Aan de stellingen van eiser tegen het inreisverbod komt de rechtbank dan niet meer toe.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het voorgaande, komt het terugkeerbesluit voor vernietiging in aanmerking en volgt daarmee ook de vernietiging van het inreisverbod. De beroepen zijn gegrond.

11. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht en bedraagt € 1.868-, omdat de gemachtigde van eiser twee beroepschriften heeft ingediend (1 punt per beroepschrift). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het terugkeerbesluit en het inreisverbod;

- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.