Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:4716

Op 9 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.56892, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:4716. De plaats van zitting was Den Haag.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.56892
Datum uitspraak:
9 March 2026
Datum publicatie:
9 March 2026

Indicatie

Eerste asielaanvraag. Koerdische vreemdeling uit Turkije. Plaatsen van pro-Koerdische video en problemen niet geloofwaardig. 3 EVRM schending door detentieomstandigheden niet aannemelijk gemaakt. Beroep ong.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.56892

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser,

geboren op [datum],

van Turkse nationaliteit,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. D.L. Boer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw. (Voetnoot 1) Hij is het hier niet mee eens en heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 oktober 2025 in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van 2 jaar opgelegd.

2.1.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. (Voetnoot 2) Hierop volgt een afzonderlijke uitspraak.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid

3. De minister heeft in de brief van 6 februari 2026 laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en heeft de rechtbank verzocht te beoordelen of nog sprake is van procesbelang. In reactie heeft de gemachtigde van eiser bericht dat zij contact heeft met hem en dat hij de procedure wil voortzetten. De rechtbank stelt daarom vast dat eiser nog steeds belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. (Voetnoot 3) De rechtbank ziet in de later ingediende berichten van 26 februari 2026 geen aanleiding om het vooronderzoek te heropenen, omdat namens de minister geen nieuwe informatie is gesteld.

Het asielrelaas

4. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij als Koerd niet veilig kan terugkeren naar Turkije. Eiser heeft verklaard dat hij in 2020 of 2021 een video met een pro-Koerdische leus online heeft geplaatst. Volgens eiser is hij om deze reden opgepakt en mishandeld door de politie. Vervolgens is hij vrijgelaten. Ook heeft eiser verklaard dat hij eerder in 2016 is veroordeeld vanwege een ruzie, dan wel drugsbezit. Daarbij is aan eiser een voorwaardelijke celstraf opgelegd. Volgens eiser moest hij zich in 2021 weer melden bij de gevangenis en is hij een week gedetineerd. Vervolgens is eiser in verband met corona vrijgelaten en is aan hem een meldplicht opgelegd. Aan eiser zou een arrestatiebevel worden opgelegd indien hij zich niet zou melden. Daarna is eiser legaal uitgereisd. Hij verblijft sinds 2022 in Nederland. Eiser heeft in 2023 asiel aangevraagd. Ter onderbouwing heeft eiser tijdens het gehoor een vonnis getoond. Bij de zienswijze zijn Turkse gedeeltelijke gerechtelijke stukken overgelegd.

Het bestreden besluit en het standpunt van de minister

5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende motieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

de problemen vanwege het plaatsen van een video.

De minister heeft het eerste motief geloofwaardig geacht, het tweede niet. Daartoe heeft de minister gesteld dat eiser de problemen vanwege het plaatsen van een video niet met stukken heeft onderbouwd. Ook heeft eiser vaag en wisselend verklaard over de meldplicht, vrijlating en het arrestatiebevel. Verder is niet aannemelijk dat eiser legaal is uitgereisd, terwijl een meldplicht zou gelden of al dan niet arrestatiebevel zou zijn uitgevaardigd. De minister heeft ook aan eiser tegengeworpen dat hij in Nederland niet direct asiel heeft aangevraagd, dat hij heeft gelogen in de antecendentenverklaring en gepoogd heeft de tolk ervan te weerhouden te vertalen dat hij veroordeeld is voor drugsbezit. Om deze redenen is met het bestreden besluit niet een vertaling van de in de zienswijze overgelegde stukken afgewacht. Volgens de minister was dit niet opportuun, nu eiser heeft verklaard niet over gerechtelijke stukken te beschikken met betrekking tot het plaatsen van de video. Voor zover eiser verder heeft verklaard over de veroordeling voor commune delicten, is niet is gebleken van een oneerlijk proces, of een onevenredige bestraffing, aldus de minister.

Afwachten vertaling van stukken

6. Eiser heeft aangevoerd dat de minister een vertaling van de Turkse gerechtelijke stukken ten onrechte niet heeft afgewacht, in strijd met de samenwerkingsplicht en zorgvuldigheid. Eiser moest twee jaar wachten op zijn asielprocedure en heeft pas recent beschikking gekregen over documenten uit zijn strafzaak. Het was opportuun dat de minister de vertaling hiervan afwachtte. In beroep zijn alsnog vertalingen overgelegd. Hieruit blijkt dat een voorwaardelijke celstraf van eiser van 20 maanden alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

6.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de vertalingen van stukken niet hoeven af te wachten. De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om de door hem gestelde vrees aannemelijk te maken. Dit volgt uit artikel 31 van de Vw. Eiser verblijft sinds 2022 in Nederland. Het eerst in oktober 2025 regelen van vertalingen van gerechtelijke stukken uit de periode van 2016 tot 2023 komt voor zijn rekening en risico. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat hij pas recent beschikking heeft gekregen over documenten van zijn verschillende strafzaken, nu deze zien op de periode van 2016 tot 2023 en hij reeds in het nader gehoor een rechtelijk vonnis heeft getoond. De minister heeft in het besluit bovendien niet ten onrechte gesteld dat eiser heeft verklaard dat hij geen stukken heeft met betrekking tot het gestelde plaatsen van een video. Op zitting heeft de minister verder niet ten onrechte gesteld dat uit de overgelegde vertalingen van de gerechtelijke stukken enkel blijkt dat dat eiser is veroordeeld voor commune delicten omtrent drugsbezit, en niet dat eiser is veroordeeld in verband met het plaatsen van een video, of voor een ruzie zoals hij in eerste instantie heeft verklaard. Onder deze omstandigheden volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat het afwachten van de vertalingen uit zorgvuldigheid en in het kader van de samenwerkingsplicht geboden was. De stukken onderbouwen namelijk niet de door eiser gestelde vrees in verband met het plaatsen van een video.

Geloofwaardigheid problemen in verband met plaatsen van video

7. Eiser heeft aangevoerd dat het plaatsen van een pro-Koerdische video niet openbaar vervolgd en ten laste gelegd zal worden. Daarom ontbreken gerechtelijke stukken. Dat eiser de video heeft geplaatst is de reden waarom zijn voorwaardelijke straf is omgezet en hij een meldplicht heeft gekregen. Hij heeft deze geschonden en wordt bij terugkeer opgepakt. Eiser meent dat behandeling van pro-Koerden in detentie tot een directe schending van artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 4) leidt. Het is bij de autoriteiten bekend dat eiser pro-Koerdisch is, door de video en getuige het feit dat hij door de politie is mishandeld. Verder heeft eiser aangevoerd dat hij het druggerelateerde delict heeft verzwegen uit schaamte, maar betwist hij dat hij de tolk heeft weerhouden het vonnis te vertalen. Eiser heeft het vonnis immers zelf getoond. Ook heeft eiser gesteld dat hij legaal heeft kunnen uitreizen, omdat er tijdens de coronaperiode minder controle op het naleven van de meldplicht bestond. Eiser betwist dat hij wisselend heeft verklaard over zijn vrijlating en beweegredenen tot het plaatsen van de video. Daarnaast heeft eiser betoogd dat het verschoonbaar is dat hij zich in Nederland niet direct heeft gemeld voor asiel, omdat hij bang was om te worden teruggestuurd.

7.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister de gestelde problemen door het online plaatsen van een pro-Koerdische video niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daartoe heeft de minister niet ten onrechte gesteld dat eiser dit niet met stukken heeft onderbouwd, terwijl hij beschikking heeft over gerechtelijke stukken. Uit de wel overgelegde stukken blijkt niet van problemen in verband met het gestelde plaatsen van een video, maar enkel van verschillende veroordelingen voor drugsbezit. De rechtbank volgt eiser niet in de stelling dat er geen stukken zijn over het plaatsen van een video, maar dat dat plaatsen wel de reden is dat zijn voorwaardelijke straf ten uitvoer zal worden gelegd. In het overgelegde vonnis van 20 december 2023 staat namelijk dat eiser binnen de proeftijd voor een opzettelijk delict is veroordeeld bij het vonnis van de 3e Kamer voor Strafzaken te Bingöl, waarbij een rolnummer en kenmerk is benoemd. Eiser heeft dit vonnis niet overgelegd. De enkele stelling dat er geen stukken zijn over de veroordeling die tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf hebben geleid kan daarom niet slagen. De minister heeft verder terecht gesteld dat eiser geen arrestatiebevel heeft overgelegd of heeft kunnen tonen, terwijl eiser heeft verklaard dat dit zou worden uitgevaardigd indien hij zich niet aan de meldplicht hield.

7.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij zijn antecedentenverklaring niet naar waarheid heeft ingevuld en in het nader gehoor in eerste instantie heeft voorgehouden dat hij meermaals veroordeeld is vanwege ruzies, terwijl hij voor andere feiten is veroordeeld. De stelling van eiser dat hij drugsdelicten heeft verzwegen uit schaamte, heeft de minister onvoldoende mogen achten. Uit het nader gehoor blijkt verder dat is opgenomen dat eiser de tolk heeft geprobeerd te weerhouden het daar getoonde vonnis te vertalen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. De minister heeft terecht gesteld dat dit namens eiser niet is gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen op het gehoor. Dat eiser dit na de tegenwerping in het voornemen heeft betwist, laat het voorgaande onverlet. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat het in zijn voordeel spreekt dat hij het vonnis zelf heeft getoond, nu eiser eerder ook zelf heeft verklaard dat hij veroordeeld was wegens een ruzie. Niet ten onrechte heeft de minister verder betrokken dat eiser Turkije legaal is uitgereisd, wat afbreuk doet aan de gestelde problemen op het moment van uitreis. De rechtbank volgt eiser niet in de enkele stelling dat er tijdens de coronaperiode minder controle was op naleving van de meldplicht, omdat dit haaks staat op de verklaringen van eiser. Eiser heeft namelijk verklaard dat de douanepolitie hem niet wilde laten gaan, maar dat hij een retourticket had en heeft gedreigd een klacht in te dienen. (Voetnoot 5)

7.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij zich in Nederland in 2022 niet direct heeft gemeld voor asiel. De minister heeft niet ten onrechte gesteld dat dit afbreuk doet aan de door eiser gestelde noodzaak tot internationale bescherming. De minister heeft eiser niet hoeven volgen in de stelling dat hij bang was om teruggestuurd te worden, nu hij in Nederland wel anderhalf jaar (ongedocumenteerd) heeft gewerkt. Eiser heeft dit inhoudelijk niet betwist.

7.4.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft de minister niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht dat eiser problemen heeft door het online plaatsen van een pro-Koerdische video. De overige stellingen van eiser, waaronder de betwisting van wisselende verklaringen over de vrijlating en beweegredenen tot het plaatsen van de video, doen niet aan het voorgaande af. De minister heeft daarom ongeloofwaardig mogen achten dat eiser door de politie is mishandeld en dat hij bij terugkeer zal worden opgepakt, in verband met het plaatsen van de video. Over de stelling dat detentie in strijd is met artikel 3 van het EVRM, overweegt de rechtbank hierna als volgt.

Aannemelijkheid schending artikel 3 van het EVRM door behandeling en omstandigheden in detentie

8. Eiser heeft bij aanvullende gronden aangevoerd dat hij in Turkije geen eerlijke behandeling zal krijgen, omdat hij bekend staat als pro-Koerdisch. Ook staat de rechtstaat in Turkije onder druk. Ter onderbouwing is gewezen op het algemeen ambtsbericht van 2025 en een rapport van de Europese Commissie over Turkije van 2023. Verder heeft eiser gewezen op een uitspraak van 31 oktober 2017 over de uitlevering van een persoon aan Turkije, waaruit volgens hem blijkt dat personen met een Koerdische achtergrond zich in een kwetsbare positie bevinden. (Voetnoot 6) Daarnaast heeft eiser betoogd dat detentieomstandigheden in Turkije slecht zijn door overbevolking. Ter onderbouwing is gewezen op het ambtsbericht. (Voetnoot 7) Dit is volgens eiser in strijd met de vereisten die het EHRM (Voetnoot 8) stelt. Terugkeer zonder detentiegaranties is daarom in strijd met artikel 3 van het EVRM, aldus eiser.

8.1.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit heeft gesteld dat de gerechtelijke stukken onderbouwen dat eiser een commuun delict heeft begaan en dat hij zijn proeftijd heeft geschonden. (Voetnoot 9) De rechtbank verwerpt daarom het primaire standpunt van de minister op zitting dat niet vast staat dat eiser bij terugkeer een gevangenisstraf te wachten staat. Eiser heeft echter niet betwist dat niet is gebleken dat hij een oneerlijk proces heeft gehad, of dat een onevenredige straf is opgelegd. Dat volgt niet uit de verklaringen van eiser dat hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maand na herhaaldelijke strafbare feiten. Dat de rechtstaat in Turkije, volgens algemene landeninformatie, onder druk staat is zorgelijk, maar dat laat het voorgaande onverlet. Anders dan eiser verder stelt, is in de uitspraak van 31 oktober 2017 overwogen dat personen met een Koerdische achtergrond en met (vermeende) banden met de PKK, zich in een kwetsbare positie bevinden. Hoewel eiser een Koerd is, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval sprake is van (vermeende) banden met de PKK. De rechtbank volgt eiser daarom niet in stelling dat hij een oneerlijke behandeling zal krijgen. Dat heeft eiser onvoldoende onderbouwd.

8.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij door het plegen van een commuun delict in verband met detentieomstandigheden persoonlijk een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Daartoe acht de rechtbank onvoldoende dat de gevangenissen in Turkije volgens eiser blijkens het ambtsbericht van 2025 overvol zijn, omdat eiser niet nader heeft onderbouwd dat in zijn geval niet wordt voldaan aan de door het EHRM gestelde eisen als het gaat om de ruimte in een cel en het beschikken over een individuele slaapplek. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Overijsel van 16 januari 2025, waarin hetzelfde betoog werd verworpen. (Voetnoot 10) Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling in haar uitspraak van 13 februari 2025, waarin de motivering expliciet is overgenomen. (Voetnoot 11) Hoewel deze uitspraken zijn gebaseerd op het ambtsbericht van 2023, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het ambtsbericht van 2025 niet een wezenlijk ander beeld met betrekking tot de detentieomstandigheden in Turkije. (Voetnoot 12)

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarom heeft de minister ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod aan eiser mogen opleggen. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudononimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

De Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Zaaknummer NL25.56893.

Voetnoot 3

Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.

Voetnoot 4

Het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.

Voetnoot 5

Zie pagina 16 en 17 van het nader gehoor.

Voetnoot 6

Uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, ECLI:NL:GHDHA:2017:3257.

Voetnoot 7

Zie het algemeen ambtsbericht inzake Turkije van februari 2025, pagina 39.

Voetnoot 8

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

Voetnoot 9

Pagina 2 van het bestreden besluit.

Voetnoot 10

ECLI:NL:RBOVE:2025:234, overweging 14.

Voetnoot 11

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:483, overweging 1.

Voetnoot 12

Vgl. het algemeen ambtsbericht inzake Turkije van augustus 2023, pagina 39.