Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:5108

Op 9 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.61319, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:5108. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.61319
Datum uitspraak:
9 February 2026
Datum publicatie:
12 March 2026

Indicatie

Verzoek tot proceskostenvergoeding afgewezen, geen sprake van een ontvankelijk beroep. Griffierecht te laat betaald.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.61319

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker (gemachtigde: mr. V. Karapetjan),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Procesverloop

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.

Verzoeker heeft een beroep ingediend, omdat de minister niet op tijd heeft beslist op het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum voor kort verblijf (hierna: het bezwaar).

Op 8 januari 2026 heeft de minister alsnog een besluit genomen op het bezwaar.

Naar aanleiding hiervan heeft verzoeker zijn beroep ingetrokken. Hij heeft daarbij het verzoek gedaan om de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De minister heeft op 20 januari 2026 gereageerd en aangegeven bereid te zijn om de proceskosten te vergoeden.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1

2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.

3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop, is de minister tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. De minister heeft immers alsnog een besluit op het bezwaar van verzoeker genomen.

1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4. Iemand die in beroep gaat, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41, eerste lid, van de Awb. In dit geval is het griffierecht € 194,-.

5. Als het griffierecht niet (op tijd) wordt betaald, is de hoofdregel dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk mag behandelen. Soms is dat anders. Dan is er een geldige reden waarom het griffierecht niet door de rechtbank is ontvangen. Het gaat dan om omstandigheden waaraan eiser niets kan doen.

6. De rechtbank heeft eiser op 17 december 2025 een aangetekende brief gestuurd, waarin staat dat eiser het griffierecht binnen twee weken moet betalen aan de rechtbank. In deze brief staat ook dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren als eiser het griffierecht niet of niet op tijd betaald. Uit de Track & Trace van Post NL blijkt dat de brief op 24 december 2025 is bezorgd, waarbij is getekend voor ontvangst.

7. De rechtbank ontving het griffierecht op 16 januari 2026, wat aanzienlijk later was dan de door de rechtbank gestelde termijn. De rechtbank heeft het bedrag niet op tijd ontvangen.

8. Omdat er geen sprake zou zijn geweest van een ontvankelijk beroep, is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake van een situatie waarin verweerder geheel of gedeeltelijk is tegemoetkomen aan het beroep van verzoeker, in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Het verzoek wordt als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder hoeft het door eiser betaalde griffierecht niet te vergoeden.

9. Omdat eiser het griffierecht wel heeft betaald, maar te laat, zal dit aan hem worden terugbetaald.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek tot proceskostenveroordeling af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van

M.H.G.P. Tober, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

09 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]
Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.