Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:5209

Op 24 February 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.7342, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:5209. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.7342
Datum uitspraak:
24 February 2026
Datum publicatie:
13 March 2026

Indicatie

Bewaring, vervolgberoep, ontbreken verslag telefonische presentatie, terugkeerbesluit, zicht op uitzetting en voortvarend handelen, belangenafweging, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.7342

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. G.A. Dorsman),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Procesverloop

Verweerder heeft op 26 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Verweerder heeft de rechtbank op 9 februari 2026 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. Op 12 februari 2026 heeft verweerder desgevraagd het ontbrekende verslag van het vertrekgesprek van 15 december 2025 aan het dossier toegevoegd.

De rechtbank heeft het beroep op 18 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is (telefonisch) verschenen I. Bensmail. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 4 december 2025 (in de zaak NL25.57388) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 28 november 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 28 november 2025 tot 18 februari 2026.

Ontbreken verslag telefonische presentatie

3. Eiser verzoekt verweerder om het verslag van de telefonische presentatie van eiser bij de Jamaicaanse autoriteiten van 2 februari 2026 aan het dossier toe te voegen.

4. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de regievoerder bij de telefonische presentatie aanwezig was, maar dat er geen verslag is opgemaakt van het gesprek. Verweerder licht verder toe dat de nationaliteit van eiser niet is bevestigd aan de hand van de presentatie, waarmee de laissez-passer (lp) procedure van eiser voor Jamaica is afgesloten.

Terugkeerbesluit

5. Eiser stelt dat het terugkeerbesluit van 26 november 2025 ten onrechte niet in het dossier is opgenomen, dan wel in een voor hem begrijpelijke taal aan hem is uitgereikt of een afschrift daarvan aan zijn gemachtigde is gegeven.

6. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Voor zover gesteld wordt dat de bewaring onrechtmatig is vanwege het ontbreken van een terugkeerbesluit stelt de rechtbank vast dat een terugkeerbesluit is genomen op 29 mei 2025 en een aanvullend terugkeerbesluit genomen op 26 november 2025. Deze beide terugkeerbesluiten zitten in het dossier. Ook is in het aanvullende terugkeerbesluit opgenomen dat eiser daarover is geïnformeerd en dat een afschrift van dat besluit aan hem is uitgereikt. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op uitzetting en voortvarend handelen

7. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen reëel zicht is op uitzetting en dat verweerder niet voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Hiertoe voert hij aan dat uit het voortgangsrapport van eiser (M120-formulier) niet blijkt dat verweerder heeft gerappelleerd naar Groot-Brittannië, dat het terugkeertraject naar Jamaica is afgesloten en dat het terugkeertraject naar Zuid-Afrika niet is opgestart. Bovendien is er met betrekking tot de terugkeertrajecten naar Zuid-Afrika en Groot-Brittannië geen contact geweest met desbetreffende autoriteiten en is er alleen een intern overleg is geweest met de landverantwoordelijke van Groot-Brittannië in Nederland. Voor zover aan eiser wordt tegengeworpen dat hij onvoldoende meewerkt verwijst eiser naar het vertrekgesprek van 17 oktober 2025, waarin hij alle voor hem beschikbare informatie heeft gegeven, over bijvoorbeeld zijn moeder en zijn kinderen. Volgens eiser is er voor hem geen mogelijkheid om aan aanvullende stukken te komen.

8. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende zicht is op uitzetting, nu verweerder werkt aan lp-trajecten voor zowel Groot-Brittannië als Zuid-Afrika. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat er niet is gerappelleerd bij de autoriteiten van Groot-Brittannië, omdat zij verzocht hebben om de vingerafdrukken van eiser te delen. Gelet op vreemdelingrechtelijke beperkingen kan verweerder dat niet doen. Daarnaast hebben de autoriteiten van Groot-Brittannië om meerdere documenten van eiser gevraagd, maar eiser heeft geen geverifieerde documenten overgelegd. Verweerder wacht dan ook met rappelleren totdat eiser deze aanvullende documenten aanlevert. Daarnaast heeft verweerder toegelicht dat er geen lp-aanvraag naar Zuid-Afrika is gestuurd omdat de landenspecialist eerst onderzoek moet doen om in te kunnen schatten hoe kansrijk het is dat een lp zal worden afgegeven. Op 12 februari 2026 is voor het laatst gerappelleerd bij de landenspecialist en verweerder is nog in afwachting van een reactie. Omdat eiser zelf nog heeft aangegeven contact op te willen nemen met de consul generaal van Jamaica heeft verweerder een gesprek met eiser ingepland op 24 februari 2026 om te bespreken of dit iets heeft opgeleverd. Gelet op het voorgaande en het feit dat er tweewekelijkse gesprekken gehouden worden met eiser is de rechtbank ook van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Daarnaast mag van eiser worden verwacht dat hij zelf in het kader van de op hem rustende meewerkverplichting alles in het werk stelt om terugkeer naar zijn land van herkomst mogelijk te maken, door bijvoorbeeld mee te werken aan het verkrijgen van identiteitsdocumenten. De enkele verwijzing naar een vertrekgesprek door eiser is daarvoor onvoldoende.

9. De beroepsgronden dat er geen sprake zou zijn van een reëel zicht op uitzetting, dan wel dat verweerder onvoldoende werkt aan eisers uitzetting, slagen gezien het voorgaande niet.

Belangenafweging

10. Ten slotte voert eiser aan dat de bewaring, gelet op zijn belangen, opgeheven moet worden. Hiertoe voert hij aan dat hij al eerder vier maanden in bewaring heeft doorgebracht. Daarnaast kan verweerder doorgaan met het nationaliteitsonderzoek van eiser als eiser in vrijheid is gesteld.

11. De rechtbank stelt vast dat eiser inmiddels ongeveer vijf maanden in bewaring zit. Volgens vaste rechtspraak komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring in beginsel meer gewicht toe aan de belangen van verweerder bij de voortduring van de bewaring dan aan de belangen van de vreemdeling bij zijn invrijheidstelling. Niettemin kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zesmaanden-termijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van verweerder. Van zulke omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in eisers geval niet gebleken. Eisers stelling dat hij eerder vier maanden in bewaring heeft gezeten en dat verweerder ook aan zijn nationaliteitsonderzoek kan werken wanneer eiser in vrijheid is gesteld, zijn daarvoor van onvoldoende gewicht. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Ambtshalve toetsing

12. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.