Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:5746

Op 16 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL 24 8974, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:5746. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL 24 8974
Datum uitspraak:
16 March 2026
Datum publicatie:
18 March 2026

Indicatie

Beëindiging tijdelijke bescherming. Derdelanders Oekraïne. Arrest [naam] en [naam]. Rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Non-refoulement. Privéleven. Hoor en wederhoor. SIS-signalering. Beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.8974

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. J. van Raak).

Inleiding

In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (Richtlijn Tijdelijke Bescherming, RTB), en dat hij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn land van herkomst, India.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.

Het HvJ EU heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).

Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 18 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.

Eiser heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het voornemen geuit om uitspraak te doen zonder een zitting te houden. Eiser heeft meegedeeld dat hij gebruik wil maken van het recht om op zitting te worden gehoord.

De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op een zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Raak.

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1997 en heeft de Indiase nationaliteit.

2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiser rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na zijn vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft hij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.

3. In het besluit van 7 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiser na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiser die nog een lopende procedure hebben. (Voetnoot 1) In het vervangende besluit van 18 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiser binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.

4. Eiser is het niet eens met het besluit van 18 juli 2025. Hij voert aan dat het niet in zijn belang is om in deze lopende procedure een vervangend besluit uit te brengen. Ook voert hij aan dat verweerder niet bevoegd was om zijn tijdelijke bescherming te beëindigen. Hierbij verwijst hij naar het tijdschriftartikel ‘Een onrechtmatig cadeautje voor de staatssecretaris’. (Voetnoot 2) Eiser stelt dat hij door zijn langdurig verblijf in Nederland erop mocht vertrouwen dat zijn tijdelijke bescherming niet zou worden beëindigd. Volgens hem is dit ook niet mogelijk vanwege de bevriezingsmaatregel. Verder voert eiser aan dat terugkeer naar India voor hem zeer moeilijk zou zijn. Hierbij beroept hij zich op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook voert hij aan dat hij in Nederland werkt heeft en een kennissenkring heeft opgebouwd. In dit kader beroept eiser zich ook op artikel 8 van het EVRM. Volgens eiser is hij voorafgaand aan het vervangende terugkeerbesluit onvoldoende in de gelegenheid gesteld om zijn persoonlijke omstandigheden toe te lichten. Als laatste voert eiser aan dat het niet in zijn belang is dat het terugkeerbesluit wordt gesignaleerd in het Schengeninformatiesysteem (SIS). Ter onderbouwing van de beroepsgronden heeft eiser een arbeidsovereenkomst, een persoonlijke verklaring en een verklaring van zijn werkgever overgelegd.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het besluit van 18 juli 2025 juist is. Het HvJ EU en de Afdeling hebben bevestigd dat facultatieve tijdelijke bescherming mag worden beëindigd. De bevriezingsmaatregel staat hier niet aan in de weg. Artikel 8 van het EVRM speelt geen rol bij de beoordeling van een terugkeerbesluit. Eiser is voorafgaand aan het vervangende besluit door het kunnen indienen van een zienswijze voldoende in de gelegenheid gesteld om zijn persoonlijke omstandigheden kenbaar te maken.

De rechtbank oordeelt als volgt.

6. Nu het besluit van 18 juli 2025 niet aan eisers lopende beroep tegemoetkomt, is er sprake van een belang zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb en heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit.

7. In het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het besluit van 18 juli 2025 is de tijdelijke bescherming van eiser na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiser op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat hij een aanvraag daartoe heeft lopen. Het besluit van 18 juli 2025 vermeldt dat hij binnen vier weken na deze uitspraak moet terugkeren naar India. Daarmee voldoet het aangevulde besluit aan de vereisten van de Richtlijn 2008/115/EG (Terugkeerrichtlijn).

8. De rechtbank ziet in het door eiser aangehaalde tijdschriftartikel geen grond om het oordeel van de Afdeling onjuist te achten. De Afdeling is gemotiveerd tot haar oordeel gekomen en de rechtbank kan deze motivering volgen. In deze motivering is betrokken dat verweerder op grond van een facultatieve bepaling heeft besloten om het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 ook toe te passen op een groep personen die door de Raad van de Europese Unie niet is aangewezen als groep die tijdelijke bescherming moest krijgen. Bij het facultatieve karakter van deze bepaling hoort de bevoegdheid om de tijdelijke bescherming van de desbetreffende groep te beëindigen. De door eiser aangehaalde voetnoot in het voorstel van de Europese Commissie van 19 september 2023, COM(2023)546, is geen dragend onderdeel van deze motivering. Dat het op 24 oktober 2023 gepubliceerde uitvoeringsbesluit 2023/2409 van de Raad van de Europese Unie na de zitting bij de Afdeling is verschenen is geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat dit niet wezenlijk afwijkt van het voorstel dat ten tijde van de procedure bij de Afdeling al bekend was.

9. Omdat de bevriezingsmaatregel niet anders kan worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en daarmee dus niet als rechtmatig verblijf, is ook geen sprake van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Daarbij komt dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit de ‘derdelanders Oekraïne’ mochten afleiden dat zij altijd hetzelfde zouden worden behandeld als Oekraïners, of dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan is bereikt. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 zoals hiervoor aangehaald, en van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Dergelijke toezeggingen zijn evenmin uit het dossier van eiser op te maken.

10. De stelling van eiser dat hij bij terugkeer naar India een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM is niet aannemelijk gemaakt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat eisers asielaanvraag in het besluit van 30 mei 2023 buiten behandeling is gesteld en dat hij sindsdien niet opnieuw om internationale bescherming heeft gevraagd.

11. Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door eiser is aangevoerd kan echter niet meteen worden opgemaakt dat hij in Nederland beschermenswaardig familie- of privéleven heeft zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De omstandigheden dat hij hier al enkele jaren woont en een vriendenkring heeft, zijn daarvoor niet zonder meer voldoende. Daar komt bij dat deze procedure betrekking heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de RTB en eiser een daartoe geëigende aanvraag kan indienen indien hij verblijfsrecht meent te ontlenen aan artikel 8 van het EVRM.

12. Eisers beroepsgrond dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn persoonlijke omstandigheden toe te lichten, slaagt ook niet. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 4 juni 2025 een voornemen tot het nemen van een terugkeerbesluit heeft uitgebracht. Eiser is daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om feiten en omstandigheden naar voren te brengen voordat het vervangende terugkeerbesluit werd genomen.

13. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het besluit van 18 juli 2025 blijft in stand. Artikel 3, eerste lid, van de Verordening (EU) 2018/1860 brengt de verplichting mee voor verweerder om dit besluit te signaleren in het SIS.

14. Omdat het beroep is ingesteld naar aanleiding van een terugkeerbesluit dat gelet op het arrest [naam 1] en [naam 2] gebrekkig was, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

? verklaart het beroep ongegrond;

? veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro).

Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Deze uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025.

Voetnoot 2

Van mr. dr. C.A.F.M. Grütters in Asiel- en migrantenrecht (A&MR) 2024-2, p. 086-091.