Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:5890

Op 19 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.13111, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:5890. De plaats van zitting was Middelburg.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.13111
Datum uitspraak:
19 March 2026
Datum publicatie:
19 March 2026

Indicatie

bewaring, bz, gronden betwist, lichter middel, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.13111

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R. Deniz),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Toonders ).

Procesverloop

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft zich, daarnaar gevraagd, akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 11 maart 2026 heeft eiser beroepsgronden ingediend. Op 13 maart 2026 heeft

verweerder een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek

gesloten op 18 maart 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1985 en Algerijnse nationaliteit te hebben.

2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;

en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.

3. Eiser betwist de zware gronden 3a, 3d, 3f, 3i en de lichte grond 4a en voert daartoe het volgende aan. Verweerder stelt dat eiser niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen nu hij niet voorkomt in EUVIS. Eiser is echter overgedragen vanuit België. Eiser is verder zijn documenten onderweg naar Europa kwijtgeraakt. Hij heeft een nieuw paspoort aangevraagd bij de Algerijnse ambassade in Spanje maar hij heeft daarvan niets vernomen. Eiser heeft verder duidelijk aangegeven welke aliassen hij gebruikt. Uit de motivering van de zware grond 3b blijkt onvoldoende dat eiser niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit. Ook de zware grond 3i volgt eiser niet. Hij heeft consistent verklaard dat hij zijn identiteitsdocument is verloren. Hieruit blijkt dan ook niet dat sprake is van opzet. Voor wat betreft de zware grond 3i stelt eiser dat hij een asielzoeker is en op hem dus geen terugkeerverplichting rust. Tot slot motiveert verweerder de lichte grond 4a dat eiser nooit aangifte heeft gedaan van vermissing van zijn identiteitsdocumenten. Eiser heeft echter een nieuw document aangevraagd en de gemachtigde van eiser gaat ervan uit dat vermissing als reden is opgegeven. Eiser heeft aantoonbaar stappen gezet om zijn identiteit te herstellen.

4. Bij brief van 13 maart 2026 heeft verweerder de zware grond 3f laat vallen.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a, 3b en 3d aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft zelf verklaard dat hij op illegale wijze vanuit Algerije naar Europa is gereisd. Eiser beschikt(e) niet over het benodigde reisdocument met daarin een visum om Nederland in te reizen. Dat eiser recent vanuit België is overgedragen aan Nederland doet aan de feitelijke juistheid van de zware grond 3a niet af. Verder is de zware grond 3b feitelijk juist. Eiser is namelijk meerdere malen met onbekende bestemming vertrokken en hij heeft zich daarmee aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. Ook de zware grond 3d is feitelijk juist. Eiser beschikt niet over een reis-of identificerend document en hij heeft geen aantoonbare inspanningen verricht om dergelijke documenten te verkrijgen. Verweerder overweegt terecht dat eisers stelling dat hij in Spanje een paspoort heeft aangevraagd bij de Algerijnse autoriteiten niet nader is onderbouwd. Daarnaast staat vast dat eiser in het verleden verscheidene aliassen heeft gebruikt. Dat eiser het gebruik hiervan heeft toegegeven maakt niet dat de zware grond 3d niet feitelijk juist is.

6. De zware gronden 3a, 3b en 3d zijn feitelijk juist en voldoende om aan te nemen dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De beroepsgronden gericht tegen de overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat eiser heeft verklaard niet terug te willen naar Algerije en herhaaldelijk met onbekende bestemming is vertrokken. Er is sprake van een risico op onttrekking aan het toezicht. Voorts is niet gebleken dat de bewaring onredelijke bezwarend is voor eiser. Voor zover eiser medische hulp behoeft is de zorg in het detentiecentrum vergelijkbaar met de zorg in de vrije maatschappij. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 19 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.