Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:5894

Op 2 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.21903, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:5894. De plaats van zitting was Rotterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.21903
Datum uitspraak:
2 March 2026
Datum publicatie:
19 March 2026

Indicatie

Aanvraag vergunning medische behandeling; toepassing artikel 64 Vw; tegenwerping artikel 1F Vv; evenredigheid; artikel 4:84 Awb.

Uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 29 november 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:8752) en de daarin vermelde jurisprudentie en het vermelde analoog toegepaste beleid van verweerder in asielzaken , volgt dat verweerder ook bij de beoordeling van een reguliere verblijfsvergunning op medische gronden in het kader van artikel 4:84 van de Awb beoordeelt of de medische problematiek van de betrokkene zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting en of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat in het kader van de beoordeling van artikel 4:84 van de Awb een beoordeling van de duurzaamheid van het medische artikel 3 EVRM-beletsel en de proportionaliteit van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit in zijn belangenafweging als belang aan de zijde van eiser enkel benoemd dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw, maar eisers specifieke individuele omstandigheden niet kenbaar betrokken. Zo wordt niet ingegaan op eisers verblijf op een gesloten afdeling van een verpleeghuis vanwege gevorderde dementie en de verwachting dat hij daar wegens een steeds verder verslechterende gezondheidssituatie tot aan zijn overlijden zal verblijven. Evenmin zijn eisers persoonlijke en gezinsomstandigheden zoals concreet vermeld in bezwaar in onder meer het bezwaarschrift van de Stichting Noodopvang Dakloze Vreemdelingen Utrecht, kenbaar betrokken. Deze omstandigheden heeft eiser op de zitting nader toegelicht door aan te voeren dat de COa-verstrekking die hij krijgt zeer marginaal is en dat hij verder geen enkele uitkering (zoals AOW) krijgt en door zijn kinderen wordt onderhouden. Ook op de zitting is verweerder onvoldoende op eisers specifieke individuele omstandigheden ingegaan.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder het besluit voor wat betreft de evenredigheidstoets/belangenafweging onzorgvuldig genomen en is het besluit op dit punt ook onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank is het bovendien met eiser eens dat verweerder met het oog op een zorgvuldige beoordeling van de evenredigheid niet heeft kunnen afzien van het horen van eiser, althans zijn gezinsleden, over eisers situatie en belangen. Daar komt bij dat eiser in beroep een brief van de arts ouderengeneeskunde van 23 september 2025 heeft overgelegd, waarin is vermeld dat de (lichamelijke en psychische) gezondheid van eiser lijdt onder de aanvraag en dat zijn klachten jaarlijks verergeren ten tijde van de jaarlijkse toetsing van zijn verblijfsstatus. Verweerder heeft in reactie hierop op de zitting enkel zonder motivering herhaald dat een jaarlijkse toetsing voor eiser niet onevenredig belastend is. Die reactie vindt de rechtbank onvoldoende. De beroepsgronden van eiser ten aanzien van de evenredigheid/belangenafweging en de hoorplicht, slagen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.21903

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Procesverloop

Eiser verblijft op een gesloten afdeling in een verpleeghuis. Hij heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als verblijfsdoel ‘medische behandeling’. Bij besluit van 16 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 18 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit op aanvraag ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 7 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, [naam] (begeleider van eiser) en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Eiser heeft op 7 oktober 1998 een aanvraag ingediend om verlening van een

verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij besluit van 6 augustus 2002 is de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31,

eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw. Bij dit besluit is tevens een terugkeerbesluit aan eiser opgelegd. Verweerder heeft in die procedure artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag (Vv) tegengeworpen. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep (AWB 02/65928 en AWB 02/89720) is bij uitspraak van

8 januari 2004 van de rechtbank, zittingsplaats Maastricht, ongegrond verklaard.

Het door eiser ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van 19 april 2004 van de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) met zaaknummer

200401518/1, ongegrond verklaard. Hierdoor is de afwijzing op grond van artikel 1F van het Vv, zoals vastgelegd in de beschikking van 6 augustus 2002, in rechte vast

komen te staan.

1.2.

Nadien heeft eiser in de periode tot aan de onderhavige procedure tevergeefs verschillende procedures ter verkrijging van een verblijfsvergunning gevoerd.

Bij besluit van 5 juli 2013 is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaren. Het door eiser hiertegen ingestelde beroep (AWB/ROE 13/19941) is door de rechtbank, zittingsplaats Roermond, ongegrond verklaard bij uitspraak van 31 maart 2015. De Afdeling heeft op 11 augustus 2015 (zaaknummer 201503266/1/V2) uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen die rechtbankuitspraak. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond verklaard. Hiermee is het besluit van 5 juli 2013 waarbij een inreisverbod aan eiser is opgelegd in rechte vast komen te staan.

Laatstelijk heeft eiser op 9 maart 2023 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 17 juni 2024 heeft verweerder deze asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Op 31 oktober 2025 heeft verweerder dit besluit ingetrokken. Vervolgens heeft eiser het beroep ingetrokken.

Aan eiser is twee keer uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw verleend. Bij besluit van 26 oktober 2023 is aan eiser uitstel van vertrek verleend van 26 oktober 2023 tot 26 oktober 2024. Bij besluit van 25 oktober 2024 is aan eiser uitstel van vertrek verleend van 26 oktober 2024 tot 26 oktober 2025. Vervolgens heeft eiser op 6 oktober 2025 een nieuwe aanvraag ingediend. Op de zitting van 7 november 2025 heeft verweerder medegedeeld dat aan eiser voorlopig uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw is verleend in afwachting van de definitieve besluitvorming (Voetnoot 1).

1.3.

Uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 24 oktober 2024 blijkt dat eiser de volgende medische klachten heeft:

- gevorderde dementie waarvoor hij sinds 29 december 2023 verblijft in een zorgcentrum met 24-uurszorg

- psychische klachten die thans geduid worden als een depressie dan wel persoonlijkheidsstoornis. Eerder zijn de klachten deels ook verklaard uit een posttraumatische stressstoornis.

Op lichamelijk gebied gaat het om het volgende:

- astmatische klachten van de luchtwegen met een allergische component

- een vergrote prostaat met plasklachten

- verminderde visus van het linkeroog na staaroperaties

- pijnklachten van het bewegingsapparaat (voeten, rug)

- slaapapneu, volgens de behandelaar betreft het een milde vorm

- ‘ restless legs’

- een milde nierfunctiestoornis

- mogelijk is ook sprake van een doorbloedingsstoornis van de benen.

In dit BMA-advies staat verder dat de 24-uurszorg een essentieel onderdeel is van de behandeling van eiser. Wegvallen daarvan zal leiden tot verwaarlozing, ondervoeding,

uitdroging, een toenemende vatbaarheid voor infecties en gevaarlijke situaties door mogelijk zwerfgedrag of andere gedragsstoornissen. Het is aannemelijk dat dit binnen de termijn

van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden.

Volgens het BMA is in Afghanistan geen medische behandeling aanwezig waarmee

een medische noodsituatie binnen de genoemde termijn voorkomen kan worden.

Het standpunt van verweerder

2. In het bestreden besluit, waarin verweerder is gebleven bij het primaire besluit, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde medische vergunning. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet (Vw), gelezen in samenhang met artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder verwijst naar het afwijzende asielbesluit van 6 augustus 2002 waarbij artikel 1F van het Vv aan eiser is tegengeworpen. Nu dit besluit in rechte is komen vast te staan, heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde. De evenredigheidstoets die verweerder in het kader van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft uitgevoerd, leidt er niet toe dat de aanvraag alsnog wordt ingewilligd. Er is niet gebleken van omstandigheden die maken dat de afwijzing van de aanvraag onevenredige gevolgen heeft.

Volgens verweerder was er geen aanleiding om ook te beslissen op het pas in bezwaar gedane verzoek om opheffing van het terugkeerbesluit en het inreisverbod, omdat eisers aanvraag niet (impliciet) behoefde te worden opgevat als een verzoek om opheffing. Indien eiser wenst dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod worden opgeheven, dient hij een daartoe strekkend verzoek in te dienen.

Er is terecht niet getoetst aan het Unierechtelijk openbare orde criterium. Voor artikel 3.77 van het Vb geldt dat dit niet ingevuld hoeft te worden aan de hand van het

Unierechtelijk openbare orde criterium. Die toets geldt immers alleen als de weigering een verblijfsvergunning te verlenen aan het Unierecht raakt of er tevens een terugkeerbesluit of inreisverbod wordt uitgevaardigd.

Voor zover eiser betoogt dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich duurzaam verzet tegen uitzetting naar Afghanistan, verwijst verweerder naar het asielbesluit van 17 juni 2024 waarin is

geconcludeerd dat ten aanzien van eiser niet langer wordt aangenomen dat hij bij

terugkeer naar Afghanistan (om asielrechtelijke redenen) een reële vrees voor schade in de zin van artikel 3 van het EVRM zou hebben.

Uitstel van vertrek is volgens verweerder een tijdelijke maatregel, welke telkens voor de duur van een jaar kan worden verleend indien de medische omstandigheden daartoe nopen. Het gaat daarom niet om duurzaam verblijfsrecht en het ontslaat eiser niet van zijn vertrekplicht, aangezien het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit herleeft na afloop van de verleende maatregel.

Eisers beroep op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) inzake Ararat (Voetnoot 2) en Westerwaldkreis (Voetnoot 3) slaagt volgens verweerder niet. Hoewel artikel 3 van het EVRM zich niet langer verzet tegen eisers uitzetting, is eisers vertrekplicht door de toekenning van de artikel 64 van de Vw maatregel wel tijdelijk (voor de duur van één jaar) opgeschort. Eiser heeft toegang tot de voor hem benodigde medische zorg.

Het betoog dat de evenredigheidstoets in overeenstemming met het arrest inzake Rendon Marin (Voetnoot 4) van het Hof had moeten worden verricht, slaagt volgens verweerder niet. Eiser heeft niet uitgelegd waarom de evenredigheidstoets niet aan de voorwaarden voldoet. Bovendien is het Unierecht hier niet van toepassing.

In het kader van de evenredigheidsbeoordeling gaat het om de vraag of het onevenredig belastend is voor eiser om niet de eventuele voordelen te genieten die het bezit van de door eiser gevraagde vergunning biedt boven de voorzieningen die hij geniet op grond van artikel 64 van de Vw. Dit verschil is nog altijd niet onevenredig belastend voor eiser en weegt niet op tegen het belang van de Nederlandse samenleving om een verblijfsvergunning te mogen weigeren aan personen zoals eiser, die zich schuldig hebben gemaakt aan de meest ernstige misdrijven, en die op grond daarvan als een gevaar voor de openbare orde moeten worden beschouwd. Gelet op de aard en ernst van de door eiser gepleegde misdrijven en de daarmee

samenhangende diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en op de

lichamelijke integriteit van de slachtoffers en het grote menselijk leed dat door

de gepleegde misdrijven is veroorzaakt, dient aan het belang van de Nederlandse samenleving meer gewicht te worden toegekend dan aan het belang van eiser. Daarbij komt dat de verplichting om zijn medische situatie en de medische behandeling in zijn land van herkomst jaarlijks te laten toetsen, niet onevenredig belastend voor eiser is, aldus verweerder.

Standpunt van eiser

3. Eiser betoogt in beroep dat verweerder ten onrechte in bezwaar heeft geweigerd om hem een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘medische behandeling’ te verlenen.

Verweerder is onvoldoende ingegaan op de gronden van bezwaar van 12 maart 2025 en

27 maart 2025.

Verweerder is verder ten onrechte niet ingegaan op het verzoek om opheffing van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Eisers aanvraag had als een verzoek om opheffing moeten worden beschouwd omdat er geen verblijfsvergunning op medische gronden kan worden verleend als beiden niet worden opgeheven. Dit verplicht verweerder, mede gelet op het verbod van refoulement, zelf ambtshalve te onderzoeken of er gronden zijn om het terugkeerbesluit en het inreisverbod op te heffen. Verweerder heeft ten onrechte niet aan het Unierechtelijk openbare orde criterium getoetst. Dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod in rechte vaststaan, betekent geenszins dat het Unierecht niet wordt geraakt. Ook het verbod van refoulement staat in het Unierecht.

Eiser verwijst onder meer naar de verwijzingsuitspraak van 27 augustus 2025 van de Afdeling ECLI:NL:RVS:2025:4046, en dan met name de derde prejudiciële vraag, en naar een uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4178).

Nu een medische noodsituatie is aangenomen, verzet artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen eisers uitzetting naar Afghanistan. In dit kader wijst eiser erop dat hij in een verpleegtehuis verblijft. Daarnaast is het asielbesluit van 17 juni 2024 ingetrokken, zodat weer de situatie is ontstaan dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen eisers uitzetting naar Afghanistan.

Daarnaast voert eiser ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel aan dat onvoldoende gewicht aan zijn belangen is toegekend. Verweerder heeft niet alleen in onvoldoende mate de ernst van zijn gezondheidsklachten betrokken, maar ook aan het onjuiste openbare orde criterium getoetst.

Daarnaast heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden. Doel van het horen is dat verweerder kan zien dat eiser ook een mens is en dat hij niet langer als een gevaar voor de samenleving mag worden beschouwd.

Eiser verwijst onder meer naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 29 november 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:8752). Gelet op deze uitspraak heeft verweerder niet de vereiste belangenafweging gemaakt, aldus eiser.

Beoordeling door de rechtbank

4.1.

De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder eisers aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning op medische gronden had moeten opvatten als een verzoek om opheffing van het aan eiser opgelegde inreisverbod. Wanneer eiser, zoals in dit geval, Nederland na het opleggen van het inreisverbod niet heeft verlaten en er dus geen sprake is van een actief inreisverbod, staat een inreisverbod niet aan de aanvraag van een reguliere verblijfsvergunning in de weg (Voetnoot 5). Een reguliere aanvraag die wordt gedaan terwijl een inreisverbod is opgelegd, hoeft daarom niet meer gezien te worden als een verzoek tot opheffing van het inreisverbod en ook zonder inwilliging van dit ‘verzoek’ kan worden overgegaan tot inhoudelijke behandeling van de verblijfsaanvraag. Indien verweerder tot inwilliging van eisers verblijfsaanvraag overgaat, dient hij het inreisverbod ambtshalve op te heffen.

4.2.

Bij de beoordeling van eisers aanvraag om een reguliere verblijfsvergunning op medische gronden onderzoekt verweerder ook of openbare orde aspecten aanleiding vormen de aanvraag af te wijzen (Voetnoot 6).

4.3.

Eiser voert aan dat verweerder hierbij had moeten toetsen aan het Unierechtelijk openbare orde criterium. De rechtbank volgt dit niet. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de aanvraag van eiser strekt tot verlening van een vergunning op basis van het nationale recht en dat de weigering daarvan niet raakt aan het Unierecht. Dat in dit geval ook sprake is van een inreisverbod maakt dit niet anders, mede gelet op wat hiervoor onder 4.1 is overwogen. Verweerder beoordeelt, nu er sprake is van een niet-actief inreisverbod, de aanvraag alsof er geen inreisverbod is. Dat bij de beoordeling van het openbare orde gevaar genoemd in artikel 3.77, eerste lid, van het Vb ook feiten en omstandigheden worden betrokken die destijds aanleiding zijn geweest voor het opleggen van het inreisverbod, maakt nog niet dat dit criterium voor een nationaalrechtelijke vergunning Unierechtelijk ingevuld moet worden. Het Unierechtelijk openbare orde criterium kan ook niet aan de orde komen in verband met het in het bestreden besluit genoemde terugkeerbesluit. Dit is immers, zoals ook is vermeld, slechts een herhaling van een terugkeerbesluit dat is opgelegd op 6 augustus 2002. Het terugkeerbesluit van 6 augustus 2002 geldt in beginsel nog steeds omdat eiser hieraan niet heeft voldaan. Het terugkeerbesluit is echter opgeschort op basis van het aan eiser verleende uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw. Afwijzing van de onderhavige aanvraag betekent – gelet op dit uitstel van vertrek - niet dat de opschorting van het terugkeerbesluit wordt beëindigd en het terugkeerbesluit herleeft. Van een situatie als bedoeld in het Ararat-arrest, waaruit volgt dat vóór de uitvoering van dat terugkeerbesluit een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet worden gemaakt (Voetnoot 7), is dan ook geen sprake. De prejudiciële vragen van 27 augustus 2025 van de Afdeling, waar eiser naar verwijst, doen hieraan niet af. Eisers beroepsgrond slaagt niet.

4.4.

Eisers gronden richten zich voor een belangrijk deel tegen de door verweerder verrichte evenredigheidsbeoordeling. Eiser voert met betrekking tot de in dat kader door verweerder gemaakte belangenafweging aan dat verweerder zijn gezondheidssituatie onvoldoende heeft meegewogen, dat onvoldoende gewicht aan zijn belangen is toegekend en dat de uitkomst van de belangenafweging niet redelijk is. Daarnaast beroept eiser zich op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 29 november 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:8752) en voert aan dat verweerder ook in de onderhavige reguliere medische procedure had moeten beoordelen of artikel 3 van het EVRM zich duurzaam (cursivering door de rechtbank) verzet tegen de verwijdering van eiser naar Afghanistan.

4.5.

Zoals hiervoor onder 1.2 is vermeld, is aan eiser sinds 26 oktober 2023 telkens aansluitend uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw verleend. Gelet op dit herhaalpatroon kan worden gesproken van een zekere duurzaamheid van het medische uitzettingsbeletsel. In dit kader acht de rechtbank verder van belang dat eiser sinds eind 2023 verblijft op een gesloten afdeling van een verpleeghuis, dat de huidige behandeling van blijvende aard is (Voetnoot 8) en dat eisers gezondheidssituatie vanwege zijn dementie steeds verder achteruit gaat en zal gaan (Voetnoot 9). De verwachting is dus dat eiser ook in de toekomst vanwege zijn gezondheidstoestand niet zal kunnen worden uitgezet naar Afghanistan, omdat de benodigde 24-uurszorg die hij thans ontvangt daar niet aanwezig is en er geen aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat die beschikbaarheid zal wijzigen.

4.6.

Uit de genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, en de daarin vermelde jurisprudentie en het vermelde analoog toegepaste beleid van verweerder in asielzaken (Voetnoot 10), volgt dat verweerder ook bij de beoordeling van een reguliere verblijfsvergunning op medische gronden in het kader van artikel 4:84 van de Awb beoordeelt of de medische problematiek van de betrokkene zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting en of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is. Daarbij hanteert verweerder als richtsnoer dat daarvan eerst sprake kan zijn als artikel 3 van het EVRM zich gedurende een groot aantal jaren verzet tegen uitzetting en dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Verweerder heeft dit beoordelingskader op de zitting niet betwist, maar enkel gesteld dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met die van de vreemdeling in de zaak die voorlag bij de zittingsplaats Roermond. Gelet op dit beoordelingskader heeft verweerder in het bestreden besluit, door te overwegen dat de evenredigheidstoets is beperkt tot de vraag of het onevenredig belastend voor eiser is om niet de eventuele voordelen te genieten van een reguliere verblijfsvergunning op medische gronden boven het verblijfsrecht op grond van artikel 64 van de Vw, een te beperkte toets aangelegd. Verweerder is bovendien in het kader van artikel 4:84 van de Awb gehouden alle bijzondere omstandigheden te betrekken.

4.7.

De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder dat de situatie van eiser niet vergelijkbaar is met die van de vreemdeling in de zaak van de zittingsplaats Roermond. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen toelichten en onderbouwen in hoeverre de casus in die uitspraak wezenlijk verschilt van de onderhavige casus. De rechtbank constateert dat in beide gevallen sprake is van een vreemdeling aan wie artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen en een inreisverbod van tien jaar is opgelegd, en aan wie bij herhaling uitstel van vertrek is verleend vanwege medische omstandigheden. Verder betreft het in beide gevallen een vreemdeling met een lange verblijfsduur in Nederland, met medische klachten die bij het uitblijven van behandeling zorgen voor een medische noodsituatie op korte termijn en voor wie een medisch uitzetbeletsel bestaat gezien het ontbreken van behandelmogelijkheden in het land van herkomst.

4.8.

De rechtbank constateert verder dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat in het kader van de beoordeling van artikel 4:84 van de Awb een beoordeling van de duurzaamheid van het medische artikel 3 EVRM-beletsel en de proportionaliteit van het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning heeft plaatsgevonden.

4.9.

Daarnaast constateert de rechtbank dat verweerder in het bestreden besluit in zijn belangenafweging als belang aan de zijde van eiser enkel benoemt dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend op grond van artikel 64 van de Vw, maar dat eisers specifieke individuele omstandigheden niet kenbaar zijn betrokken. Zo wordt niet ingegaan op eisers verblijf op een gesloten afdeling van een verpleeghuis vanwege gevorderde dementie en de verwachting dat hij daar wegens een steeds verder verslechterende gezondheidssituatie tot aan zijn overlijden zal verblijven. Evenmin zijn eisers persoonlijke en gezinsomstandigheden zoals concreet vermeld in bezwaar in onder meer het bezwaarschrift van de Stichting Noodopvang Dakloze Vreemdelingen Utrecht, kenbaar betrokken. Deze omstandigheden heeft eiser op de zitting nader toegelicht door aan te voeren dat de COa-verstrekking die hij krijgt zeer marginaal is en dat hij verder geen enkele uitkering (zoals AOW) krijgt en door zijn kinderen wordt onderhouden. Ook op de zitting is verweerder onvoldoende op eisers specifieke individuele omstandigheden ingegaan.

4.10.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft verweerder het besluit voor wat betreft de evenredigheidstoets/belangenafweging onzorgvuldig genomen en is het besluit op dit punt ook onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank is het bovendien met eiser eens dat verweerder met het oog op een zorgvuldige beoordeling van de evenredigheid niet heeft kunnen afzien van het horen van eiser, althans zijn gezinsleden, over eisers situatie en belangen. Daar komt bij dat eiser in beroep een brief van de arts ouderengeneeskunde van 23 september 2025 heeft overgelegd, waarin is vermeld dat de (lichamelijke en psychische) gezondheid van eiser lijdt onder de aanvraag en dat zijn klachten jaarlijks verergeren ten tijde van de jaarlijkse toetsing van zijn verblijfsstatus. Verweerder heeft in reactie hierop op de zitting enkel zonder motivering herhaald dat een jaarlijkse toetsing voor eiser niet onevenredig belastend is. Die reactie vindt de rechtbank onvoldoende. De beroepsgronden van eiser ten aanzien van de evenredigheid/belangenafweging en de hoorplicht, slagen.

Conclusie en gevolgen
5.1.

Er is sprake van gebreken in de besluitvorming. Verweerder heeft het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is reeds hierom gegrond. De overige gronden behoeven geen bespreking meer. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal verweerder ook de hiervoor onder 4.9 vermelde door eiser op de zitting nog gegeven toelichtingen en de in 4.10 genoemde brief van de arts ouderengeneeskunde moeten betrekken.

5.2.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op

€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op om binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser wegens verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 1.868 -;

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van

P. Deinum, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

De rechtbank heeft ambtshalve geconstateerd dat verweerder na sluiting van het onderzoek een besluit van 23 december 2025 aan het dossier heeft toegevoegd, waarin aan eiser uitstel van vertrek is verleend tot 26 oktober 2026.

Voetnoot 2

Arrest van 17 oktober 2024 in de zaak C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892.

Voetnoot 3

Arrest van 3 juni 2021 in de zaak C-546/19, ECLI:EU:C:2021:432.

Voetnoot 4

Arrest van 13 september 2016 in de zaak C-165/14, ECLI:EU:C:2016:675.

Voetnoot 5

Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3998.

Voetnoot 6

Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, in samenhang met artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a van het Vb.

Voetnoot 7

Zie de uitleg van dit arrest in de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178. Zie ook IB 2025/47.

Voetnoot 8

Zie het onder 1.3 vermelde BMA-advies.

Voetnoot 9

Dit blijkt onder meer uit een brief van 23 september 2025 van de arts ouderengeneeskunde van het verpleeghuis waar eiser verblijft en is overigens ook algemeen bekend van dementie.

Voetnoot 10

Thans opgenomen in paragraaf C2/7.10.7.6.