1.3.
Uit het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 24 oktober 2024 blijkt dat eiser de volgende medische klachten heeft:
- gevorderde dementie waarvoor hij sinds 29 december 2023 verblijft in een zorgcentrum met 24-uurszorg
- psychische klachten die thans geduid worden als een depressie dan wel persoonlijkheidsstoornis. Eerder zijn de klachten deels ook verklaard uit een posttraumatische stressstoornis.
Op lichamelijk gebied gaat het om het volgende:
- astmatische klachten van de luchtwegen met een allergische component
- een vergrote prostaat met plasklachten
- verminderde visus van het linkeroog na staaroperaties
- pijnklachten van het bewegingsapparaat (voeten, rug)
- slaapapneu, volgens de behandelaar betreft het een milde vorm
- ‘ restless legs’
- een milde nierfunctiestoornis
- mogelijk is ook sprake van een doorbloedingsstoornis van de benen.
In dit BMA-advies staat verder dat de 24-uurszorg een essentieel onderdeel is van de behandeling van eiser. Wegvallen daarvan zal leiden tot verwaarlozing, ondervoeding,
uitdroging, een toenemende vatbaarheid voor infecties en gevaarlijke situaties door mogelijk zwerfgedrag of andere gedragsstoornissen. Het is aannemelijk dat dit binnen de termijn
van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden.
Volgens het BMA is in Afghanistan geen medische behandeling aanwezig waarmee
een medische noodsituatie binnen de genoemde termijn voorkomen kan worden.
Het standpunt van verweerder
2. In het bestreden besluit, waarin verweerder is gebleven bij het primaire besluit, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde medische vergunning. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet (Vw), gelezen in samenhang met artikel 3.77, eerste lid, aanhef en onder a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder verwijst naar het afwijzende asielbesluit van 6 augustus 2002 waarbij artikel 1F van het Vv aan eiser is tegengeworpen. Nu dit besluit in rechte is komen vast te staan, heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde. De evenredigheidstoets die verweerder in het kader van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft uitgevoerd, leidt er niet toe dat de aanvraag alsnog wordt ingewilligd. Er is niet gebleken van omstandigheden die maken dat de afwijzing van de aanvraag onevenredige gevolgen heeft.
Volgens verweerder was er geen aanleiding om ook te beslissen op het pas in bezwaar gedane verzoek om opheffing van het terugkeerbesluit en het inreisverbod, omdat eisers aanvraag niet (impliciet) behoefde te worden opgevat als een verzoek om opheffing. Indien eiser wenst dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod worden opgeheven, dient hij een daartoe strekkend verzoek in te dienen.
Er is terecht niet getoetst aan het Unierechtelijk openbare orde criterium. Voor artikel 3.77 van het Vb geldt dat dit niet ingevuld hoeft te worden aan de hand van het
Unierechtelijk openbare orde criterium. Die toets geldt immers alleen als de weigering een verblijfsvergunning te verlenen aan het Unierecht raakt of er tevens een terugkeerbesluit of inreisverbod wordt uitgevaardigd.
Voor zover eiser betoogt dat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zich duurzaam verzet tegen uitzetting naar Afghanistan, verwijst verweerder naar het asielbesluit van 17 juni 2024 waarin is
geconcludeerd dat ten aanzien van eiser niet langer wordt aangenomen dat hij bij
terugkeer naar Afghanistan (om asielrechtelijke redenen) een reële vrees voor schade in de zin van artikel 3 van het EVRM zou hebben.
Uitstel van vertrek is volgens verweerder een tijdelijke maatregel, welke telkens voor de duur van een jaar kan worden verleend indien de medische omstandigheden daartoe nopen. Het gaat daarom niet om duurzaam verblijfsrecht en het ontslaat eiser niet van zijn vertrekplicht, aangezien het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit herleeft na afloop van de verleende maatregel.
Eisers beroep op de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) inzake Ararat (Voetnoot 2) en Westerwaldkreis (Voetnoot 3) slaagt volgens verweerder niet. Hoewel artikel 3 van het EVRM zich niet langer verzet tegen eisers uitzetting, is eisers vertrekplicht door de toekenning van de artikel 64 van de Vw maatregel wel tijdelijk (voor de duur van één jaar) opgeschort. Eiser heeft toegang tot de voor hem benodigde medische zorg.
Het betoog dat de evenredigheidstoets in overeenstemming met het arrest inzake Rendon Marin (Voetnoot 4) van het Hof had moeten worden verricht, slaagt volgens verweerder niet. Eiser heeft niet uitgelegd waarom de evenredigheidstoets niet aan de voorwaarden voldoet. Bovendien is het Unierecht hier niet van toepassing.
In het kader van de evenredigheidsbeoordeling gaat het om de vraag of het onevenredig belastend is voor eiser om niet de eventuele voordelen te genieten die het bezit van de door eiser gevraagde vergunning biedt boven de voorzieningen die hij geniet op grond van artikel 64 van de Vw. Dit verschil is nog altijd niet onevenredig belastend voor eiser en weegt niet op tegen het belang van de Nederlandse samenleving om een verblijfsvergunning te mogen weigeren aan personen zoals eiser, die zich schuldig hebben gemaakt aan de meest ernstige misdrijven, en die op grond daarvan als een gevaar voor de openbare orde moeten worden beschouwd. Gelet op de aard en ernst van de door eiser gepleegde misdrijven en de daarmee
samenhangende diepe inbreuk op de persoonlijke levenssfeer en op de
lichamelijke integriteit van de slachtoffers en het grote menselijk leed dat door
de gepleegde misdrijven is veroorzaakt, dient aan het belang van de Nederlandse samenleving meer gewicht te worden toegekend dan aan het belang van eiser. Daarbij komt dat de verplichting om zijn medische situatie en de medische behandeling in zijn land van herkomst jaarlijks te laten toetsen, niet onevenredig belastend voor eiser is, aldus verweerder.
3. Eiser betoogt in beroep dat verweerder ten onrechte in bezwaar heeft geweigerd om hem een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘medische behandeling’ te verlenen.
Verweerder is onvoldoende ingegaan op de gronden van bezwaar van 12 maart 2025 en
27 maart 2025.
Verweerder is verder ten onrechte niet ingegaan op het verzoek om opheffing van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Eisers aanvraag had als een verzoek om opheffing moeten worden beschouwd omdat er geen verblijfsvergunning op medische gronden kan worden verleend als beiden niet worden opgeheven. Dit verplicht verweerder, mede gelet op het verbod van refoulement, zelf ambtshalve te onderzoeken of er gronden zijn om het terugkeerbesluit en het inreisverbod op te heffen. Verweerder heeft ten onrechte niet aan het Unierechtelijk openbare orde criterium getoetst. Dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod in rechte vaststaan, betekent geenszins dat het Unierecht niet wordt geraakt. Ook het verbod van refoulement staat in het Unierecht.
Eiser verwijst onder meer naar de verwijzingsuitspraak van 27 augustus 2025 van de Afdeling ECLI:NL:RVS:2025:4046, en dan met name de derde prejudiciële vraag, en naar een uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4178).
Nu een medische noodsituatie is aangenomen, verzet artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen eisers uitzetting naar Afghanistan. In dit kader wijst eiser erop dat hij in een verpleegtehuis verblijft. Daarnaast is het asielbesluit van 17 juni 2024 ingetrokken, zodat weer de situatie is ontstaan dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen eisers uitzetting naar Afghanistan.
Daarnaast voert eiser ten aanzien van het evenredigheidsbeginsel aan dat onvoldoende gewicht aan zijn belangen is toegekend. Verweerder heeft niet alleen in onvoldoende mate de ernst van zijn gezondheidsklachten betrokken, maar ook aan het onjuiste openbare orde criterium getoetst.
Daarnaast heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden. Doel van het horen is dat verweerder kan zien dat eiser ook een mens is en dat hij niet langer als een gevaar voor de samenleving mag worden beschouwd.
Eiser verwijst onder meer naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 29 november 2024 (ECLI:NL:RBLIM:2024:8752). Gelet op deze uitspraak heeft verweerder niet de vereiste belangenafweging gemaakt, aldus eiser.
Beoordeling door de rechtbank