1.3.
Eiser is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a, van de Vw 2000. Om deze wettelijke grondslag te gebruiken, moet zijn voldaan aan de vereisten uit artikel 5.1a, eerste lid, van het Vb 2000. Daarin staat dat een vreemdeling in bewaring kan worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Aan deze voorwaarden voor inbewaringstelling is volgens artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000 voldaan als ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen.
Gelet op dat wat onder 1.2 is overwogen, mochten zware grond 3i en lichte grond 4a niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd. Met het laten vallen van lichte gronden 4b, 4d en 4e, is slechts zware grond 3c feitelijk juist en mocht deze grond aan de maatregel van bewaring ten grondslag worden gelegd. (Voetnoot 1) Hiermee is niet voldaan aan artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000. Naar het oordeel van de rechtbank kan zware grond 3c de maatregel van bewaring dan ook niet dragen. Het betoog slaagt.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een minder vergaande maatregel, zoals een meldplicht.