Procesverloop
Procesverloop
Eiser heeft op 8 oktober 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een
besluit op een aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf
nareis, ingediend op 21 maart 2024.
Bij uitspraak van 27 november 2024 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Overijssel het beroep gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een
termijn van acht weken een besluit op de aanvraag te nemen, of binnen twintig weken indien
binnen die termijn van acht weken nader onderzoek wordt aangeboden (ECLI:NL:RBOVE:2024:6306).
Op 10 april 2025 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van
een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Bij uitspraak van 10 november 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Overijssel dit beroep opnieuw gegrond verklaard en daarbij verweerder opgedragen om binnen een termijn van twee weken een besluit op de aanvraag te nemen. (Deze uitspraak is niet gepubliceerd)
Op 12 februari 2026 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de hierboven genoemde aanvraag.
Verweerder heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken, in beginsel een ingebrekestelling is vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste keer) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. (Voetnoot 2) Uit deze jurisprudentie volgt ook dat wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich niet aan deze termijn houdt, een nieuwe ingebrekestelling niet is vereist.
2. In haar uitspraak van 10 november 2025, bekendgemaakt op diezelfde dag, heeft de rechtbank het tweede beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Ook heeft de rechtbank in die uitspraak bepaald dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200 moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.
3. Eiser heeft het derde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op deze aanvraag ingesteld op 12 februari 2026. Verweerder heeft nog altijd geen besluit genomen op de aanvraag. Dit betekent dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is.
5. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb genoemde beslistermijn van twee weken waarbinnen verweerder een besluit bekend dient te maken. De rechtbank heeft in haar eerste en tweede uitspraak op de beroepen al een redelijke nadere beslistermijn gesteld. De rechtbank draagt verweerder daarom op om binnen twee weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.
6. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 200 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank merkt in dat verband op dat uit de eerdere aan verweerder opgelegde dwangsommen vooralsnog een onvoldoende prikkel is gebleken, nu een besluit op de aanvraag is uitgebleven.
7. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om te bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 200 moet vergoeden en verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De proceskosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 467, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
Beslissing
? verklaart het beroep gegrond;
? vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
? draagt verweerder op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
? bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200 (tweehonderd euro) moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000 (vijftienduizend euro);
? bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 200 (tweehonderd euro) moet vergoeden;
? veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 467 (vierhonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 18 maart 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.