Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:6312

Op 18 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.11963, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:6312. De plaats van zitting was Zwolle.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.11963
Datum uitspraak:
18 March 2026
Datum publicatie:
23 March 2026

Indicatie

De rechtbank stelt vast dat het verlengingsbesluit nu de grondslag vormt voor de bewaring. In het verlengingsbesluit is gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement niet aan uitzetting in de weg staat. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat het verlengingsbesluit rechtmatig is. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtskracht van de uitspraak over het verlengingsbesluit te doorbreken en gaat uit van de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit.

Eiser overweegt een derde asielaanvraag te doen omdat hij nog steeds gevaar loopt vanwege zijn gerichtheid en om die reden ook wordt aangevallen in het detentiecentrum. De nu gegeven toelichting dat hij vanwege zijn seksuele gerichtheid gevaar loopt in Gambia, is onvoldoende concreet is om te kunnen concluderen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in Gambia een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU-Handvest verboden behandelingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook het voortduren van de bewaring met het oog op het arrest Adrar niet onrechtmatig is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.11963

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Nuninga).

Procesverloop

Procesverloop

De minister heeft op 28 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw (Voetnoot 1) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan. (Voetnoot 2)

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 februari 2026 (Voetnoot 3) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 12 februari 2026.

De motivering van het zicht op uitzetting

Wat is het betoog van eiser?

4. Eiser betoogt dat de minister moet onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen zijn uitzetting. Eiser stelt dat het resultaat van dit onderzoek moet blijken uit de motivering in het besluit tot bewaring of verlenging van bewaring. Volgens eiser is in het verlengingsbesluit van 22 januari 2026 en de maatregel van bewaring van 25 juli 2025 geen kenbare motivering zoals hiervoor bedoeld opgenomen. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 (Voetnoot 4) en het arrest Adrar (Voetnoot 5). Dat tijdens de eerdere procedures het inzicht ontbrak, neemt niet weg dat het nu de toets aan het recht niet meer kan doorstaan. Onder verwijzing naar verschillende arresten stelt eiser dat het Unierecht boven het gescheiden houden van procedures staat.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

5. De rechtbank stelt vast dat het verlengingsbesluit nu de grondslag vormt voor de bewaring. In het verlengingsbesluit is gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement niet aan uitzetting in de weg staat. De rechtbank stelt ook vast dat in de uitspraak van 5 februari 2026 (Voetnoot 6) is geoordeeld dat het verlengingsbesluit rechtmatig is, met daarin een ambtshalve beoordeling in het licht van het arrest Adrar. De rechtbank ziet gelet hierop geen aanleiding de rechtskracht van de uitspraak over het verlengingsbesluit te doorbreken en gaat uit van de rechtmatigheid van het verlengingsbesluit.

5.1.

Verder stelt de rechtbank vast dat eiser in de eerste asielaanvraag van 17 oktober 2022 en opvolgende asielaanvraag van 2 juni 2025 al heeft aangevoerd dat hij problemen heeft bij terugkeer vanwege zijn seksuele gerichtheid. Die gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen zijn in beide procedures niet geloofwaardig geacht en die besluiten staan in rechte vast. Eiser heeft nu gesteld dat hij overweegt een derde asielaanvraag te doen omdat hij nog steeds gevaar loopt vanwege zijn gerichtheid en om die reden ook wordt aangevallen in het detentiecentrum. Hij verwijst daarbij naar het proces-verbaal van de bewaringszitting van 5 augustus 2025, waar hij heeft verklaard dat hij wordt gepest en toegang wil tot zijn telefoon, omdat hij daarop over gegevens beschikt die zijn herhaalde asielaanvraag kunnen ondersteunen. De rechtbank stelt vast dat in de uitspraak van 25 juli 2025 in de opvolgende asielprocedure (Voetnoot 7) al is geoordeeld over de eventuele informatie op de telefoon. Het staat eiser weliswaar vrij om een derde asielaanvraag te doen, maar de rechtbank is van oordeel dat de nu gegeven toelichting dat hij vanwege zijn seksuele gerichtheid gevaar loopt in Gambia, onvoldoende concreet is om te kunnen concluderen dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat eiser in Gambia een reëel risico zal lopen op de door artikel 4 en artikel 19, tweede lid, van het EU-Handvest verboden behandelingen. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook het voortduren van de bewaring met het oog op het arrest Adrar niet onrechtmatig is.

De ambtshalve toets

6. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. (Voetnoot 8)

De conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van A. Kanis, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

Artikel 96, derde lid, van de Vw.

Voetnoot 3

in de zaak NL25.6477.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RVS:2026:329.

Voetnoot 5

ECLI:EU:C:2025:647.

Voetnoot 6

ECLI:NL:RBOVE:2026:766, zaaknummer NL26.3908.

Voetnoot 7

Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 25 juli 2025, zaaknummers: NL25.24553 en NL25.24554.

Voetnoot 8

Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.