Op 8 January 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.3962, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:638. De plaats van zitting was Middelburg.
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda).
Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 24 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen dhr. [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Standpunten partijen
1. Eiser is geboren op [datum] 1962 in Irak en hij stelt de Bahreinse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 18 januari 2023 een asielaanvraag ingediend. Eiser verklaart dat hij niet meer in het bezit is van de Iraakse nationaliteit. Hij stelt niet te kunnen terugkeren naar Irak , omdat hij als Soenniet te vrezen heeft van de Iraakse overheid of Sjiitische milities. Ondanks dat hij in het bezit is van de Bahreinse nationaliteit kan hij ook niet naar dat land terugkeren, vanwege problemen met de Bahreinse autoriteiten en zijn ex-schoonfamilie. Eiser voert aan dat verweerder zijn problemen in Bahrein ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser stelt dat er bij de beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met zijn leeftijd en medische klachten. Eiser heeft in beroep gesteld dat hij over zijn problemen met zijn ex-schoonfamilie niet summier heeft verklaard en dat hij tijdens de gehoren alle relevante vragen hierover heeft beantwoord.
Eiser stelt ook dat de asielaanvraag niet kon worden afgewezen als kennelijk ongegrond. Volgens eiser heeft hij verweerder niet misleid en heeft hij zich niet te kwader trouw ontdaan van zijn Bahreinse paspoort.
Als laatste stelt eiser dat er sprake is van een motiveringsgebrek. Verweerder had beter moeten motiveren waarom er niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning is verleend aan eiser.
2. Verweerder vindt de door eiser gestelde problemen ongeloofwaardig. Volgens verweerder bevat het asielrelaas de volgende relevante asielmotieven: (1) de identiteit, nationaliteit en herkomst, (2) de problemen met de autoriteiten van Bahrein en (3) de problemen met de familie van de ex-man van de dochter van eiser in Bahrein . Asielmotief 1 heeft verweerder geloofwaardig geacht, waarbij ook de Iraakse nationaliteit geloofwaardig is bevonden omdat door verweerder niet wordt geloofd dat eiser deze nationaliteit heeft opgegeven. Asielmotieven 2 en 3 zijn ongeloofwaardig bevonden, omdat de verklaringen van eiser vaag, wisselend en onlogisch zijn. Verweerder stelt dat er geen vrees bestaat bij terugkeer naar Irak alleen omdat eiser Soenniet is.
Verweerder heeft de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen, omdat eiser zich ontdaan heeft van zijn Bahreinse paspoort met het doel niet te kunnen worden uitgezet naar Bahrein . Ook kon de aanvraag kennelijk worden afgedaan, omdat eiser zijn Bahreinse nationaliteit heeft verzwegen.
Verweerder heeft aan eiser ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier verleend, want er zijn door eiser geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd.
Overwegingen
Overwegingen
3. De rechtbank overweegt dat het aan de vreemdeling is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Als de vreemdeling zijn asielmotief niet of onvoldoende onderbouwt met bewijsmateriaal, dan kan verweerder de feiten en omstandigheden die aan het asielmotief ten grondslag liggen als geloofwaardig aanmerken, als de vreemdeling voldoet aan een aantal voorwaarden. Een van die voorwaarden is dat de verklaringen samenhangend en aannemelijk zijn en niet in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie. (Voetnoot 1)
Geloofwaardigheid Iraakse nationaliteit
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte er van uit gaat dat eiser de Iraakse nationaliteit heeft. De rechtbank stelt vast dat eiser een echt bevonden Iraakse nationale identiteitskaart en nationaliteitsverklaring heeft overgelegd. Verweerder mocht op grond van deze documenten uitgaan van eisers Iraakse nationaliteit. Het ligt dan op de weg van eiser om concrete contra-indicaties aan te dragen waaruit blijkt dat hij die nationaliteit niet (meer) heeft, hetgeen niet is gedaan. Voor zover eiser verwijst naar de Iraakse nationale wetgeving, merkt verweerder terecht op dat in de Iraakse wetgeving staat dat iemand vrijwillig schriftelijk afstand kan doen van zijn Iraakse nationaliteit bij het aannemen van een vreemde nationaliteit. Eiser heeft niet gesteld noch onderbouwd dat hij vrijwillig schriftelijk afstand heeft gedaan van zijn Iraakse nationaliteit. Over het innemen van eisers Iraaks paspoort in Bahrein heeft verweerder terecht opgemerkt dat eiser naar de ambassade is geweest met de bedoeling zijn paspoort te verlengen. De handeling van de ambassade om zijn paspoort in te nemen en geen nieuw paspoort te verstrekken is als zodanig geen concreet aanknopingspunt voor de conclusie dat hij zijn Iraakse nationaliteit niet meer heeft.
Geloofwaardigheid gebeurtenissen in Bahrein
5. Verweerder heeft de problemen met de Bahreinse autoriteiten niet ten onrechte ongeloofwaardig bevonden. Terecht is tegengeworpen dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de wijze waarop hij is opgeroepen door de politie. Eiser heeft verklaard dat er sprake was van een telefonische oproep, maar hij heeft ook verklaard dat de oproep schriftelijk was. Wat eiser aanvoert over zijn leeftijd en klachten doet niets af aan de feitelijke juistheid van deze tegenwerping. Daarnaast heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser summier heeft verklaard over zijn vrijlating en waarom juist eiser zo'n specifiek doelwit is van de politie. De enkele stelling in beroep van eiser dat verweerder meer had moeten doorvragen op dit punt acht de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, want eiser is in het nader gehoor en aanvullend gehoor uitgebreid in de gelegenheid gesteld om zijn asielrelaas naar voren te brengen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder, op grond van de in het besluit genoemde tegenwerpingen, niet ten onrechte heeft overwogen dat ook de problemen met de ex-schoonfamilie ongeloofwaardig zijn. De stelling van eiser dat verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd volgt de rechtbank niet. Niet is gebleken dat verweerder onvoldoende heeft doorgevraagd op beide motieven. Eiser is tweemaal uitgebreid gehoord over zijn asielmotieven. Eiser is meermaals tijdens deze gehoren gevraagd concreet antwoord te geven op de gestelde vragen.
Reëel en voorzienbaar risico op schending artikel 3 EVRM
6. Eiser stelt dat Soennieten in Irak slachtoffer kunnen worden van een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Dit risico wordt, volgens eiser, groter als een Soenniet afkomstig is uit een in het verleden door IS gecontroleerd gebied. (Voetnoot 2) Eiser stelt afkomstig te zijn uit zo'n gebied, omdat hij in het verleden in Noord-Oost- Syrië heeft verbleven. De rechtbank volgt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Irak . Eiser valt niet onder een risicoprofiel. (Voetnoot 3) Zijn stelling dat oud-dienders in de oorlog met Iran systematisch worden vervolgd is niet onderbouwd met landeninformatie of anderszins. Dat eiser eerder in Syrië heeft verbleven is door verweerder terecht terzijde geschoven, omdat het gebied toen niet onder controle stond van IS. De enkele vaststelling dat eiser Soenniet is betekent niet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer naar Irak .
7. Verweerder kan een asielaanvraag kennelijk ongegrond verklaren als er sprake is van misleiding (Voetnoot 4) of als de vreemdeling te kwader trouw een identiteitsdocument heeft vernietigd (Voetnoot 5). Volgens het beleid van verweerder wordt onder misleiden verstaan: “de vreemdeling probeert in een gunstiger positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden. Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning.” (Voetnoot 6) Het begrip ‘te kwader trouw’ wordt in het beleid beschreven als het bewust en opzettelijk informatie achterhouden of vernietigen, met als doel daardoor in een gunstiger positie te komen. (Voetnoot 7)
8. Verweerder baseert de misleiding op het ontdoen van het Bahreinse paspoort door eiser. In het verweerschrift voegt verweerder daar aan toe dat eiser pas later te kennen heeft gegeven dat hij ook de Bahreinse nationaliteit heeft. De rechtbank stelt vast dat eiser de Dublinprocedure doorliep totdat zijn aanvraag werd opgenomen in de nationale asielprocedure. (Voetnoot 8) In de Dublinprocedure is er een overnameverzoek verzonden aan de Duitse autoriteiten op basis van een EU-Vis hit. In deze hit staat zijn Bahreinse nationaliteit vermeld. (Voetnoot 9) Verweerder heeft niet onderbouwd in welke gunstigere positie eiser is gekomen door het niet melden van zijn Bahreinse nationaliteit bij het indienen van zijn asielaanvraag. Daarbij is relevant dat eiser bij de eerste mogelijkheid na opname in de nationale procedure en voor het nader gehoor, heeft meegedeeld dat hij de Bahreinse nationaliteit bezit. (Voetnoot 10) Verweerder heeft niet onderbouwd dat eiser heeft geprobeerd in een gunstigere positie te komen door in de Dublinprocedure geen melding te maken van zijn tweede nationaliteit. Het is voor de Dublinprocedure niet relevant en verweerder was al op de hoogte van de Bahreinse nationaliteit door de EU-vis hit. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom het ontdoen van het Bahreinse paspoort in zijn individuele geval afdoende is om uit te gaan van misleiding. In de volgende rechtsoverweging zal de rechtbank dit verder uitleggen.
9. Is er dan wel sprake van het ‘te kwader trouw’ vernietigen van identiteitsdocumenten? Verweerder motiveert dit standpunt met de feitelijke vaststelling dat het paspoort is verscheurd. Eiser zegt dat hij dat niet opzettelijk heeft gedaan. Hij wijst naar zijn PTSS en de angstbeelden die bij hem aanwezig zijn. De PTSS is aangetoond door het overleggen van het medisch dossier van eiser. Verder blijkt uit het gedrag van eiser, tijdens de behandeling ter zitting bij deze rechtbank en tijdens de gehoren bij verweerder, dat eiser zeer angstig is. De stelling van eiser dat hij zijn paspoort niet te kwader trouw heeft vernietigd, maar als gevolg van zijn medische problematiek, is plausibel. Het is aan verweerder om voldoende aan te tonen dat er sprake is van een zekere ‘aannemelijkheid’ dat eiser te kwader trouw heeft gehandeld. Met de enkele feitelijke vaststelling dat het paspoort is verscheurd is er niet voldaan aan de op verweerder rustende bewijslast. Daarbij had verweerder beter moeten motiveren waarom de onderbouwde PTSS onvoldoende is om aan te nemen dat dat eiser niet bewust of opzettelijk het paspoort heeft vernietigd.
10. De rechtbank constateert op grond van de voorgaande overwegingen dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en dat de aanvraag met de gegeven motivering niet kennelijk kon worden afgedaan. Dit betekent dat het beroep gegrond moet worden verklaard.
Reguliere verblijfsvergunning
11. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen bijzondere en zwaarwegende omstandigheden zijn aangevoerd om een humanitaire verblijfsvergunning te verlenen. De bewijslast ligt hiervoor bij eiser. Eiser heeft daartoe naar zijn medische omstandigheden verwezen. Verweerder heeft deze omstandigheden meegewogen door aan eiser uitstel van vertrek te verlenen in afwachting van een ambtshalve beoordeling van artikel 64 Vw. Eiser heeft ook gesteld dat hij twee zussen en een broer in Nederland heeft wonen. Deze stelling is op geen enkele wijze onderbouwd. Verweerder kon dan ook volstaan met een korte motivering dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn die aanleiding geven voor ambtshalve inwilliging van een reguliere verblijfsvergunning vanwege een beroep op artikel 8 EVRM of humanitaire gronden
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet evenwel aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Anders dan eiser tijdens de zitting heeft betoogd heeft de kennelijke ongegrondverklaring geen invloed op de wijze waarop de geloofwaardigheid van het asielrelaas is beoordeeld. Andere rechtsgevolgen van een kennelijke afdoening zijn in deze zaak niet aan de orde. Er is geen inreisverbod opgelegd en het beroep mocht in Nederland worden afgewacht.
13. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
Beslissing
? verklaart het beroep gegrond;
? vernietigt het bestreden besluit;
? bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
? veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan op 8 januari 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoot
Voetnoot 1
Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, Vw 2000.
Voetnoot 2
Eiser verwijst naar paragraaf 3.2. van het Country Guideance rapport 2024 van het EASO
Voetnoot 3
Zie de Vreemdelingencirculaire C7/16.
Voetnoot 4
Op grond van artikel 30b, eerste lid aanhef en onder c kan de aanvraag worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling Onze Minister heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.
Voetnoot 5
Op grond van artikel 30b, eerste lid aanhef en onder d kan de aanvraag worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling waarschijnlijk, te kwader trouw, een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan heeft ontdaan.
Voetnoot 6
Zie de Vreemdelingencirculaire C2/7.3.
Voetnoot 7
Zie de Vreemdelingencirculaire C2/7.4.
Voetnoot 8
Opname nationale asielprocedure, d.d. 18 september 2023.
Voetnoot 9
EU-Vis hit, d.d. 18 januari 2023.
Voetnoot 10
Correcties en aanvullingen aanmeldgehoor, d.d. 30 november 2023.