Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:6420

Op 24 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.61697, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:6420. De plaats van zitting was Groningen.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.61697
Datum uitspraak:
24 March 2026
Datum publicatie:
24 March 2026

Indicatie

AA. De minister heeft niet alle verklaringen van eiser over de vier thema’s uit WI 2019/17 meegewogen in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook heeft de minister niet gemotiveerd hoe de verklaringen over de verschillende thema’s ieder worden gewaardeerd en ten opzichte van elkaar worden gewogen. Beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.61697

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Ugandese nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. D. de Vries),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. F. Evers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. (Voetnoot 1) Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend. Aan eiser is wel een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is bepaald dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Uganda.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard homoseksueel te zijn. Eiser ontdekte deze gevoelens toen hij elf jaar oud was en accepteerde dit rond zijn achttiende. Eiser heeft van 2015 tot 2023 een relatie gehad met [naam vriend]. Eiser is uit Uganda gevlucht nadat hij en [naam vriend] zijn betrapt tijdens een feestje en de politie hen vervolgens heeft meegenomen. Met behulp van de oom van [naam vriend] zijn ze vrijgelaten door de politie. Eiser vreest bij terugkeer naar Uganda voor zijn familie, de moeder van [naam vriend] en de gemeenschap in zijn geheel. Hij vreest voor een gevangenisstraf of voor de doodstraf.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

seksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen.

De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister acht de seksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig. Hiertoe overweegt de minister dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c en d, van de Vw. De verklaringen van eiser vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel. Zo heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe zijn religie zich verhoudt tot zijn geaardheid, heeft hij summier verklaard over zijn relatie met [naam vriend] en over zijn aantrekking tot [naam vriend]. Zijn verklaringen over de betrapping met [naam vriend] acht de minister ongerijmd. Eiser heeft ook niet inzichtelijk gemaakt waarom hij geen contact meer heeft met [naam vriend]. Daarnaast heeft eiser zijn asielaanvraag pas na zeven maanden verblijf in Nederland ingediend zonder een verschoonbare reden.

Herhaling zienswijze

5. Eiser verwijst naar de zienswijze en verzoekt om de inhoud daarvan als herhaald en ingelast te beschouwen.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit gemotiveerd is ingegaan op wat eiser in de zienswijze heeft aangevoerd. Het enkel verwijzen naar de zienswijze in de beroepsgronden, zonder daarbij aan te geven op welke punten en waarom de motivering in het besluit volgens eiser niet toereikend is, is naar het oordeel van de rechtbank geen gemotiveerde betwisting van het besluit en kan daarom niet tot vernietiging van het besluit leiden.

Heeft de minister de gestelde seksuele geaardheid op de juiste wijze beoordeeld?

6. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte niet integraal heeft beoordeeld aan de hand van de werkinstructie 2019/17 (werkinstructie). De minister heeft niet getoetst aan de vier thema’s die volgens de werkinstructie relevant worden geacht bij een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook is bij de beoordeling geen gebruik gemaakt van de in de werkinstructie gegeven instructies. Zo heeft de minister bij de beoordeling en tijdens het gehoor geen rekening gehouden met het referentiekader van eiser en heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met het niveau van de verklaringen van eiser. De minister had moeten doorvragen op het moment dat hij meer duidelijkheid wilde hebben over bepaalde onderwerpen, bijvoorbeeld over de religie van eiser. Eiser wijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling (Voetnoot 2) van 5 oktober 2017 (Voetnoot 3). Eiser wijst verder op het rapport ‘Trots of schaamte: de beoordeling van LHBTI-asielaanvragen in Nederland na de arresten XYZ en ABC’ van Sabine Jansen van juni 2018. Ook wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 11 oktober 2019 (Voetnoot 4), waarin is overwogen dat de omstandigheid dat een vreemdeling ontoereikend heeft verklaard over zijn eigen ervaringen zonder rechtvaardiging, niet altijd leidt tot ongeloofwaardige seksuele gerichtheid als die vreemdeling over andere aspecten wel overtuigend kan verklaren. Verder heeft de minister gebruik gemaakt van stereotypering. In dit kader verwijst eiser naar een brief van het COC aan de minister over ‘gebrekkige uitvoering LHBTI-beleid’ van 9 juni 2019 en nogmaals op het rapport van Sabine Jansen. Daarnaast wijst eiser op artikel 4 van de Definitierichtlijn en de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2021, waaruit volgt dat documentatie de feitelijke informatie kan ondersteunen. Ook wijst eiser er op dat sinds werkinstructie 2018/9 explicieter is aangegeven dat verklaringen van derden kunnen worden meegewogen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Specifiek ten aanzien van verklaringen van partners wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 9 februari 2024. (Voetnoot 5) Eiser voert verder aan dat zijn verklaringen over zijn relatie met [naam vriend] authentiek zijn en voldoende inzicht geven in de relatie. Ook voert eiser aan dat hij niet ongerijmd of tegenstrijdig heeft verklaard over de betrapping. Ter onderbouwing van zijn verklaringen heeft eiser een situatieschets overgelegd van de woning van [naam vriend]. Ook heeft eiser ter onderbouwing van zijn homoseksuele gerichtheid nog enkele ondersteunende brieven en foto’s overgelegd, waaronder een verklaring van hemzelf.

Toetsingskader geloofwaardigheid seksuele gerichtheid

6.1.

Het toetsingskader voor de beoordeling van de geloofwaardigheid in zaken over seksuele gerichtheid wordt gevormd door rechtspraak van de Afdeling en de hierboven aangehaalde Werkinstructie 2019/17 ‘Horen en beslissen in zaken waarin lhbti-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd’. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat het voor de vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij een lhbti-gerichtheid heeft.

6.2.

Bij het horen en bij de beoordeling van de geloofwaardigheid betrekt de minister de volgende thema’s:

privéleven en omgeving;

huidige en voorgaande relaties, contacten in het land van herkomst en contact met of kennis van lhbti groepen;

contact met lhbti’s in Nederland en kennis van de Nederlandse situatie;

discriminatie, repressie en vervolging in het land van herkomst.

6.3.

Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling om met de werkinstructie een eenduidig sjabloon beschikbaar te stellen waarmee de seksuele gerichtheid getoetst kan worden. In iedere zaak moet een individuele afweging plaatsvinden van wat relevant is. Bij de beoordeling van de geloofwaardigheid wordt betrokken of de verklaringen consistent zijn en overeenkomen met dat wat bekend is over de algemene situatie (ten aanzien van lhbti’s) in het land van herkomst. Het zwaartepunt ligt bij het persoonlijke authentieke verhaal dat een vreemdeling vertelt over en vanuit zijn ervaringen. Alles moet in onderlinge samenhang worden bekeken. Er moet ook rekening worden gehouden met het referentiekader van de vreemdeling, zoals opleidingsniveau, leeftijdsfase, cultuur en afkomst.

Toepassing van de werkinstructie

6.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door eiser gestelde seksuele geaardheid in strijd gehandeld met de werkinstructie. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

6.5.

De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens het nader gehoor aan eiser vragen heeft gesteld over de hierboven genoemde thema’s en dat eiser over al deze thema’s verklaringen heeft afgelegd. De minister heeft echter nagelaten om de verklaringen van eiser over de verschillende thema’s ook daadwerkelijk in onderlinge samenhang in de besluitvorming te betrekken. Zoals de minister in het bestreden besluit zelf ook heeft aangegeven, is in het voornemen enkel aandacht besteed aan de verhouding tussen religie en seksuele geaardheid en aan de relatie met [naam vriend] en de bijbehorende betrapping. Deze onderwerpen behoren dan wel tot de thema’s (i) en (ii), maar de minister heeft nagelaten de overige verklaringen van eiser in het kader van de thema’s te bespreken. Zo heeft eiser tijdens het gehoor ook verklaringen afgelegd over het proces dat hij heeft doorgemaakt om te realiseren dat hij een homoseksuele gerichtheid heeft, hoe hij dat persoonlijk heeft beleefd en hoe zijn omgeving daarop heeft gereageerd. In het bestreden besluit heeft de minister deze verklaringen niet alsnog meegenomen. Bovendien heeft de minister eisers verklaringen in het kader van de thema’s (iii) en (iv) helemaal niet meegenomen in de besluitvorming. De rechtbank is van oordeel dat in de besluitvorming en op zitting onduidelijk is gebleven welk gewicht volgens de minister toekomt aan de door eiser gegeven verklaringen over de vier thema’s. Ook heeft de minister niet nader gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser niet (deels) zouden kunnen compenseren voor de ongeloofwaardig geachte verklaringen op een van de andere thema’s. Daardoor is het voor de rechtbank niet inzichtelijk hoe eisers verklaringen in het kader van de verschillende thema’s zijn gewaardeerd en gewogen.

6.6.

In het bestreden besluit en op de zitting heeft de minister zich – met verwijzing naar de werkinstructie – op het standpunt gesteld dat niet alle thema’s in de besluitvorming benoemd hoeven te worden omdat het een individuele beoordeling blijft. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Hoewel in de werkinstructie staat dat de hoormedewerker tijdens het gehoor kan concluderen dat het niet relevant is om (verder) door te vragen op een bepaald thema, is ook in de werkinstructie opgenomen dat de beslismedewerker vervolgens weegt of dat wel of niet van invloed is op de beoordeling. De minister heeft dit ten onrechte nagelaten.

6.7.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een motiveringsgebrek. Nu dit gebrek niet alsnog is hersteld dient het beroep alleen hierom al gegrond te worden verklaard. De rechtbank ziet in het belang van de vervolgprocedure aanleiding om de volgende beroepsgronden van eiser alsnog te bespreken.

Referentiekader

7. Ten aanzien van het referentiekader van eiser stelt de rechtbank vast dat deze expliciet staat beschreven in het voornemen. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende en kenbaar rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Op zitting heeft de gemachtigde van eiser in dit kader nog aangevoerd dat de minister tijdens het nader gehoor onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat eiser nooit eerder over zijn geaardheid heeft verteld. De rechtbank volgt deze stelling van eiser niet. Uit de door eiser overgelegde brieven van onder andere Phoenix blijkt juist dat eiser eerder uitvoerig en open heeft verteld over zijn seksuele geaardheid. Dat dit tijdens het nader gehoor voor het eerst in een officiële setting gebeurde, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

Verklaringen over relatie met [naam vriend] en de betrapping

8. Eiser voert verder aan dat zijn verklaringen over zijn relatie met [naam vriend] authentiek zijn en voldoende inzicht geven in de relatie. Eiser heeft immers verklaard hoe ze elkaar hebben ontmoet, hoe ze verliefd zijn geworden en hoe ze zich vervolgens samen gedroegen. Ook voert eiser aan dat hij niet ongerijmd of tegenstrijdig heeft verklaard over de betrapping. Eiser heeft verklaard dat hij naar [naam vriend] was gegaan omdat deze promotie had gemaakt. Toen eiser dit hoorde was hij bij [naam vriend 2]. [naam vriend 2] heeft vervolgens een motortaxi geregeld en wist waarschijnlijk via deze motortaxi te achterhalen waar eiser naartoe was gegaan. Dat [naam vriend 2] achter hem aan is gegaan had waarschijnlijk met jaloezie te maken. Eiser heeft een situatieschets overgelegd van de woning van [naam vriend]. [naam vriend] woonde op de tweede verdieping van een galerijwoning.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over zijn relatie met [naam vriend] te summier zijn. De minister heeft in dit kader van zwaarwegend belang mogen achten dat eiser acht jaar lang een relatie zou hebben gehad met [naam vriend].

8.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over de betrapping met [naam vriend] ongerijmd zijn. Het is juist dat de verklaring van eiser dat hij denk dat [naam vriend 2] bij de woning van eiser is gekomen op dezelfde motortaxi als hij is gebaseerd is op een vermoeden. Het is de rechtbank echter niet duidelijk wat de minister in dit kader nog meer verwacht van eiser nu hij er zelf niet bij was toen [naam vriend 2] naar de woning van [naam vriend] is gekomen. De minister heeft verder overwogen dat eiser wisselend heeft verklaard over het raam op de kamer door eerst te verklaren dat het raam metalen hekjes had en vervolgens aan te geven dat het raam open was. De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat deze twee dingen naast elkaar kunnen bestaan en ziet hierin dan ook geen tegenstrijdigheid. Ook het feit dat de woning zich op de tweede verdieping bevond, hoeft niet te betekenen dat er niet door het raam naar binnen kon worden gekeken. In beroep heeft eiser hierover aangegeven dat het een portiekwoning betreft. De minister heeft dit ten onrechte tegengeworpen zonder hierover door te vragen. Ook heeft de minister overwogen dat het niet te volgen is dat eiser en [naam vriend] de gordijnen niet dicht hadden gedaan omdat van hen verwacht mag worden dat zij voorzorgmaatregelen treffen om niet betrapt te worden gelet op de situatie in Uganda. De rechtbank acht deze motivering onvoldoende toereikend en deugdelijk. Eiser heeft hier immers over aangegeven dat het warm was in de kamer. De minister heeft niet gemotiveerd waarom dit geen verschoonbare reden is.

Conclusie geloofwaardigheid seksuele gerichtheid

9. Gelet op de bovenstaande beoordeling concludeert de rechtbank als volgt. De minister heeft niet alle verklaringen van eiser over de vier thema’s meegewogen in de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook heeft de minister niet gemotiveerd hoe de verklaringen over de verschillende thema’s ieder worden gewaardeerd en ten opzichte van elkaar worden gewogen. Verder heeft eiser (enig) inzicht gegeven over de gebeurtenissen rondom de betrapping. Het is op dit punt onduidelijk wat de minister nog meer van eiser verwacht en wat maakt dat zijn verklaringen daarover tekortschieten.

9.1.

Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de seksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is. De overige beroepsgronden op dit punt behoeven geen bespreking meer.

9.2.

De minister heeft de rechtbank op de zitting verzocht om – als de rechtbank in dit kader tot een motiveringsgebrek zou komen - de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank ziet hiertoe geen aanleiding nu is geoordeeld dat de minister ten onrechte niet alle verklaringen van eiser over de verschillende thema’s in de besluitvorming heeft betrokken. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen waarin deze verklaringen wel worden betrokken.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. De minister moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.

10.1.

Omdat het beroep op grond van het voorgaande al gegrond is, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

10.2.

Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op

€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

10.3.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 9 december 2025;

draagt de minister op om een nieuw besluit op de aanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000

Voetnoot 2

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2017:2706.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RBDHA:2019:10975.

Voetnoot 5

ECLI:NL:RBDHA:2024:2212.