Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:6560

Op 25 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL25.55426, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:6560. De plaats van zitting was Amsterdam.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL25.55426
Datum uitspraak:
25 March 2026
Datum publicatie:
26 March 2026

Indicatie

Asiel Uganda, waarbij de vreemdeling als asielmotief heeft aangevoerd homoseksueel te zijn en daardoor problemen te hebben ondervonden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Verweerder heeft de verschillende individuele aspecten van het referentiekader onvoldoende in samenhang bezien. Verder heeft verweerder de verwachtingen ten aanzien van de verklaringen van de vreemdeling op verschillende punten onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder diverse aspecten van het asielrelaas die in hun onderlinge samenhang op een LHBTI-gerichtheid zouden kunnen duiden niet kenbaar bij de besluitvorming betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: NL25.55426

[v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. D. van Elp),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw (Voetnoot 1). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij heeft de Ugandese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1996. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

2.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Singh als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij homoseksueel is. Vanaf zijn veertiende heeft hij een relatie met [persoon 1] , die bij hem op school zat. Toen eisers collega’s hem op een dag met [persoon 1] uit een motel zagen komen, hebben zij hem vragen gesteld en heeft eiser hen verteld over zijn seksuele gerichtheid en zijn relatie met [persoon 1] . Hierna behandelden zijn collega’s hem anders en is hij ook door onbekenden mishandeld, waardoor hij drie weken in het ziekenhuis heeft gelegen. Ook heeft hij telefonische dreigementen ontvangen. Toen eiser een oproeping ontving van de politie om op het politiebureau inlichtingen te komen verstrekken in het kader van een onderzoek naar homoseksualiteit heeft hij Uganda verlaten.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:

1. identiteit, nationaliteit en herkomst;2. problemen vanwege eisers seksuele gerichtheid.

Verweerder acht het eerste asielmotief geloofwaardig, maar het tweede asielmotief niet. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd om het tweede asielmotief te onderbouwen. Daarnaast heeft hij onsamenhangende en onaannemelijke verklaringen afgelegd. Zo is het niet aannemelijk dat hij niet heeft nagedacht over de maatschappelijke gevolgen van zijn gevoelens voor mannen. Ook heeft hij summier en oppervlakkig verklaard over zijn relatie met en gevoelens voor [persoon 1] alsook over [persoon 1] zelf. Daarnaast weet eiser niet veel over de situatie van de lhbti-gemeenschap in Uganda en wegen zijn verklaringen over de lhbti-gemeenschap in Nederland niet in het voordeel van eisers geloofwaardigheid. Zijn verklaringen over het incident met [persoon 1] en eisers collega's zijn wisselend en onlogisch en hij heeft tegenstrijdig verklaard over [persoon 2] , een vriend die hem zou hebben geholpen met zijn vertrek uit Uganda. Verweerder concludeert daarom dat de asielaanvraag kan worden afgewezen als ongegrond en dat een terugkeerbesluit met een vertrektermijn van vier weken kan worden opgelegd.

Verloop na het indienen van de beroepsgronden

4. Na het op 19 november 2025 indienen van de beroepsgronden heeft eiser op

2 december 2025 twee originele documenten overgelegd, te weten een medisch stuk uit Uganda en een politieoproep uit Uganda. Deze documenten zijn onderzocht door Bureau Documenten en hun bevindingen zijn neergelegd in de verklaringen van onderzoek van respectievelijk 26 februari 2026 en 11 maart 2026. Ten aanzien van het medische stuk heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat dit mogelijk niet echt is, omdat de verschijningsvorm, opmaak en afgifte afwijken van het beschikbare vergelijkingsmateriaal. Ten aanzien van de politieoproep komt Bureau Documenten tot de conclusie dat voor zover waarneembaar er geen onregelmatigheden zijn aangetroffen en dat gelet op het ontbreken van voldoende, betrouwbaar vergelijkingsmateriaal er voor wat betreft de echtheid van het document geen uitspraak kan worden gedaan, evenmin over de opmaak en afgifte van het document en niet kan worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is.

5. De eerste beroepsgrond van eiser behelst dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel omdat daarin ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij de voornoemde documenten te laat heeft ingediend. Op de zitting heeft verweerder aangegeven deze tegenwerping niet langer te handhaven, zodat deze beroepsgrond geen verdere bespreking behoeft.

5.1

De tweede beroepsgrond van eiser houdt in dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel omdat er onvoldoende onderzoek is verricht naar de door eiser ingebrachte documenten en dat daar onjuiste tegenwerpingen tegen zijn geformuleerd in het bestreden besluit. Zoals uit het voorgaande volgt, heeft tijdens deze procedure vervolgonderzoek plaatsgevonden van de originelen van deze documenten. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder bovendien aangegeven dat de tegenwerping in het bestreden besluit dat in de oproeping van de politie een onjuiste juridische grondslag is genoemd, niet langer wordt gehandhaafd. Gevraagd naar de consequenties van deze ontwikkelingen voor de beoordeling van deze beroepsgrond, hebben de gemachtigden van eiser en verweerder op de zitting aangegeven dat dit volgens hen betekent dat de rechtbank de documenten zoals deze beoordeeld zijn door Bureau Documenten, dient te wegen in samenhang met de overige elementen van het asielrelaas en de daarover afgelegde verklaringen. Ook deze beroepsgrond zal de rechtbank daarom niet meer afzonderlijk beoordelen. De rechtbank zal hetgeen daarover is aangevoerd meenemen in de conclusie en gevolgen zoals die volgens haar verbonden dienen te worden aan de beoordeling van de resterende beroepsgronden.

Bespreking van de resterende beroepsgronden

Beroepsgronden

6. In de derde beroepsgrond voert eiser aan dat het besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel op de hiernavolgende drie afzonderlijke gronden:

? volgens eiser heeft verweerder onvoldoende duidelijk het referentiekader geschetst en onvoldoende toegelicht waarom op basis van dat kader meer kan worden verwacht van eiser. Verweerder heeft onder meer onvoldoende rekening gehouden met de leeftijd van eiser ten tijde van het aangaan van de relatie. Verwezen wordt naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 20 mei 2025 (Voetnoot 2) en 13 september 2024 (Voetnoot 3).

? volgens eiser heeft verweerder in het besluit onvoldoende aangehaald wat eiser wel heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en is deze er daarmee ten onrechte aan voorbijgegaan dat deze verklaringen zijn homoseksuele gerichtheid op zichzelf al voldoende geloofwaardig maken.

? de in het bestreden besluit gedane tegenwerpingen berusten op aannames die volgens eiser niet of onvoldoende onderbouwd worden in het bestreden besluit. Eiser concretiseert dit aan de hand van de volgende zes specifieke tegenwerpingen in het bestreden besluit:

(i) eiser heeft uitgelegd waarom hij niet over de maatschappelijke gevolgen van zijn homoseksuele gerichtheid heeft nagedacht en hier consistent over verklaard. Verweerder probeert te beargumenteren waarom het niet anders kan dan dat eiser over de maatschappelijke gevolgen moet hebben nagedacht maar heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit afdoet aan de geloofwaardigheid.

(ii) de motivering van verweerder over de goede eigenschappen van [persoon 1] is verwarrend. Bij de motivering over wat eiser over [persoon 1] te weten is gekomen sinds het begin van hun relatie, heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het feit dat hun relatie in de schoolperiode is aangevangen.

(iii) de motivering van verweerder over wat eiser heeft verklaard over wat hij van [persoon 1] heeft geleerd tijdens de relatie schiet eveneens tekort. Eiser heeft verklaard over kleine gebaren van [persoon 1] die hij kon waarderen, zoals de zorgtaken, de brieven, de cadeaus maar ook over de eigenschappen van [persoon 1] , Die gebaren en die eigenschappen zijn, gelet op de periode waar eiser over heeft verklaard en de vorm die die relatie toen had, helemaal niet oppervlakkig.

(iv) verweerder maakt niet duidelijk waarop de verwachting is gebaseerd dat de liefdesverklaringen die eiser en [persoon 1] elkaar stuurden verder zouden moeten gaan dan het elkaar toesturen van zaken als songteksten, rekening houdend met het referentiekader van eiser.

(v) eiser heeft in de zienswijze concrete voorbeelden gegeven over hoe de relatie met [persoon 1] een rode draad in zijn leven was en steeds zijn gevoelens benoemd. Daarvan kan niet worden gesteld dat dit summier en oppervlakkig is.

(vi) uit het dossier blijkt dat eiser wel degelijk enige kennis heeft van de situatie van de lhbti-gemeenschap in Uganda. Als verweerder dit onvoldoende achtte, had hierover moeten worden doorgevraagd. Verweerder heeft te veel van eiser verlangd en dit ten onrechte aan hem tegengeworpen. Verwezen wordt naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van

10 juni 2025 (Voetnoot 4).

7. Met de vierde beroepsgrond voert eiser aan dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel omdat de problemen van eiser niet objectief zijn beoordeeld, gelet op het feit dat verweerder als startpunt van de afweging de ongeloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid neemt. De verklaringen van eiser op dit punt moeten als zodanig op consistentie en aannemelijkheid worden beoordeeld. Eisers verklaringen over de betrapping zijn niet wisselend en onlogisch. Ook heeft hij veel meer problemen gehad vanwege zijn seksuele gerichtheid dan de problemen die in het bestreden besluit worden beoordeeld. Van de drie door eiser genoemde gebeurtenissen acht verweerder slechts een paar aspecten van één gebeurtenis onbegrijpelijk. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de door eiser gestelde problemen ongeloofwaardig zijn door niet naar het totale beeld van de door hem gestelde problemen te kijken.

8. De derde en de vierde beroepsgrond zijn feitelijk gebaseerd op een veelheid aan individuele argumenten tegen de door verweerder in het bestreden besluit verrichte geloofwaardigheidsbeoordeling en in dat verband gedane tegenwerpingen. De rechtbank zal deze negen individuele argumenten hierna afzonderlijk bespreken. Bij wijze van inleiding zal zij hierna kort uiteenzetten op welke gemeenschappelijke uitgangspunten deze beoordeling is gebaseerd.

Toetsingskader voor de beoordeling

Tegenwerpingen op grond van het referentiekader moeten gewogen worden

9. WI 2019/17 biedt een kader voor het horen en beslissen in zaken waarin LHBTI-gerichtheid als asielmotief wordt aangevoerd. Op grond van de werkinstructie dient bij de beoordeling van de verklaring van de vreemdeling rekening te worden gehouden met het referentiekader van de vreemdeling. In de werkinstructie worden enkele voorbeelden daarvan benoemd, zoals het opleidingsniveau van een vreemdeling, maar wordt tevens benadrukt dat het altijd gaat om een individuele afweging op basis van de individuele omstandigheden van een vreemdeling.

10. Een referentiekader zal in de regel bestaan uit verschillende individuele aspecten, die op grond van het voorgaande in samenhang moeten worden gewogen. (Voetnoot 5) Naar het oordeel van de rechtbank geldt dat ook voor tegenwerpingen van verweerder op basis van het referentiekader. Ook een individuele tegenwerping op grond van één specifiek aspect van het referentiekader zal in samenhang met andere aspecten van het referentiekader beoordeeld moeten worden. Daarbij overweegt de rechtbank dat, naarmate die tegenwerpingen meer algemeen van aard zijn (“van u had een uitgebreidere toelichting mogen worden verwacht, gelet op uw opleidingsniveau”) en daar andere meer uitgebreid onderbouwde of op grond van landeninformatie navolgbare aspecten van het referentiekader tegenover staan, de rechtbank aan die algemene tegenwerpingen op grond van het referentiekader relatief minder gewicht zal kunnen toekennen.

Verwachtingen ten aanzien van verklaringen moeten ergens op gebaseerd zijn

11. WI 2019/17 biedt een kader voor het horen van vreemdelingen dat, zoals hiervoor uiteengezet, niet beoogt gedetailleerd in te vullen welke concrete feiten en omstandigheden nader onderzocht moeten worden. De werkinstructie beschrijft welke thema’s bevraagd worden en geeft aan dat die bevraging in de kern erop gericht is om de eigen beleving van de vreemdeling bij deze thema’s bloot te leggen. De gedachte hierachter is dat op die manier de authenticiteit van de verklaringen over de gerichtheid van de vreemdeling toetsbaar wordt.

12. De rechtbank constateert in lijn hiermee dat op grond van de werkinstructie geen concrete verwachtingen worden geformuleerd over de aard van door een vreemdeling af te leggen verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit met zich mee dat als verweerder in een besluit in een individuele zaak een verwachting uitspreekt over wat een authentieke verklaring van de vreemdeling in zou moeten houden, een dergelijke verwachting geconcretiseerd en onderbouwd zal moeten worden. Aan een verwachting die niet gebaseerd is op een feit van algemene bekendheid of een onderbouwing op grond van (bijvoorbeeld) landeninformatie of wetenschappelijke informatie over hoe mensen uit de LHBTI-gemeenschap zich onder vergelijkbare omstandigheden plegen te gedragen, kan binnen het hiervoor geschetste toetsingskader naar het oordeel van de rechtbank naar zijn aard weinig waarde toekomen. Dit geldt temeer als daar door de vreemdeling consistente en innerlijk samenhangende, binnen de context van het referentiekader van de vreemdeling en op grond van landeninformatie of informatie over de LHBTI-gemeenschap niet op voorhand onwaarschijnlijke ervaringen tegenover worden gezet. Daarbij overweegt de rechtbank dat dit geen uitgebreide verhandelingen hoeven te zijn, aangezien informatie niet noodzakelijkerwijze aan kracht wint als deze in meer woorden wordt uitgedrukt.

De geloofwaardigheidsbeoordeling moet ook overeenstemmende niet-betwiste elementen meewegen

13. Uit WI 2019/17 volgt dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielrelaas waarin de LHBTI-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd, een integrale afweging vergt van de verklaringen van de vreemdeling over de verschillende voor de beoordeling relevante elementen. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat verweerder in gevallen waarin er meerdere individuele maar niet direct aan elkaar gekoppelde aanwijzingen zijn die op een homoseksuele gerichtheid zouden kunnen duiden, zoals het bestaan van een eerdere homoseksuele relatie of problemen in het land van herkomst vanwege een al dan niet toegedichte homoseksuele gerichtheid, al deze aanwijzingen kenbaar moet betrekken bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling.

Argument met betrekking tot het referentiekader

14. Verweerder heeft overwogen dat van eiser meer kan worden verwacht gelet op zijn referentiekader. Verweerder heeft eisers referentiekader gebaseerd op zijn opleidingsniveau en de duur van de relatie. Ter zitting heeft verweerder nog aangevuld dat ook het gegeven dat eiser naar de universiteit is geweest en in de stad is opgegroeid een rol spelen. Ook het feit dat eiser al negen jaar meerderjarig was toen hij zijn asielaanvraag deed, maakt dat hij - erop terugkijkend - meer over zijn homoseksuele gerichtheid en de maatschappelijke gevaren in Uganda had kunnen verklaren.

15. De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met overige omstandigheden bij het bepalen van eisers referentiekader en deze niet of onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Zo heeft verweerder niet betrokken dat het in deze specifieke situatie gaat om een liefde van twee jonge mensen die is begonnen tijdens hun schoolperiode, dat de relatie zich met name op school heeft afgespeeld, dat dit de eerste liefde en enige relatie van eiser is, en dat uit eisers verklaringen volgt dat eiser en zijn partner op geen enkele andere wijze uiting hebben gegeven aan hun seksuele gerichtheid dan binnen deze relatie. Met andere woorden, dat uit eiser zijn verklaringen niet blijkt dat hij zijn homoseksuele ervaringen gelijkstelt aan een ge- en doorleefde homoseksuele identiteit en daaraan gekoppelde plek in de samenleving in zijn land van herkomst, zou zeer wel te verklaren kunnen zijn door de hiervoor genoemde specifieke aspecten van eiser zijn individuele referentiekader. Voor verweerders argumenten die genoemd zijn op zitting ontbreekt zeker in dit licht enige onderbouwing. De beroepsgrond slaagt.

Argument met betrekking tot niet-betrokken verklaringen

16. De rechtbank is verder van oordeel dat in de besluitvorming ten onrechte niet alle mogelijk relevante verklaringen van eiser zijn betrokken. Zo heeft hij verklaard over hoe de relatie startte (Voetnoot 6), hoe hij en [persoon 1] de liefde voor elkaar uitten door middel van cadeaus, liefdesbrieven en liedjes (Voetnoot 7), kleding wassen of eten regelen (Voetnoot 8). Eiser heeft ook verklaard over hoe ze een moeilijke periode doormaakten toen [persoon 1] wel kon studeren en eiser niet omdat dat financieel niet mogelijk was, maar ze toch telefonisch veel contact onderhielden en elkaar opzochten wanneer dat kon (Voetnoot 9). Verweerder heeft nagelaten deze verklaringen te betrekken en te wegen in de besluitvorming. Ook deze beroepsgrond slaagt.

Argument met betrekking tot de maatschappelijke gevolgen van de homoseksuele gerichtheid

17. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser onvoldoende heeft nagedacht over de gevolgen van zijn homoseksuele gerichtheid en relatie, nu dit plaatsvond in een maatschappij waarin homoseksualiteit niet is geaccepteerd.

18. In het licht van hetgeen hiervoor over het referentiekader is overwogen en dat het om een liefde tussen twee jonge jongens ging die geen deel uitmaakten van de (ondergrondse) “gay scene” en/of hun identiteit anderszins op die manier lijken te hebben willen beleven, is het standpunt van verweerder onvoldoende gemotiveerd. Onduidelijk is waar verweerder de verwachting op heeft gebaseerd dat in dit geval meer mocht worden verwacht van eiser, gelet op de hiervoor benoemde specifieke omstandigheden van het geval van eiser. De beroepsgrond slaagt.

Argument met betrekking tot de goede eigenschappen van [persoon 1]

19. Verweerder heeft tegengeworpen dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over wat hij goede eigenschappen van [persoon 1] vindt. Eiser had hierover uitgebreider en persoonlijker moeten verklaren bij een liefdesrelatie van meer dan 10 jaar.

20. De rechtbank is het met eiser eens dat niet goed is gemotiveerd waar die verwachting op is gebaseerd en dat hetgeen eiser daar wel over heeft verklaard niet afdoende zou kunnen zijn. Zoals op de zitting is besproken lijkt verweerder op zoek naar “Romeo en Julia- achtige” liefdesuitingen, die niet stroken met hoe ook een niet onaanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking na een relatie van meer dan 10 jaar op hun partner zal reflecteren. De beroepsgrond slaagt.

Argument met betrekking tot wat eiser te weten is gekomen over [persoon 1] sinds het begin van hun relatie

21. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over wat hij te weten is gekomen over [persoon 1] sinds het begin van hun relatie. Volgens verweerder heeft eiser hier weinig persoonlijk of diepgaand over verklaard.

22. De rechtbank is van oordeel dat in het bestreden besluit niet duidelijk is gemotiveerd wat er meer had moeten worden verklaard dan eiser heeft gedaan. Zo heeft eiser verklaard: ‘ [persoon 1] heeft mij veel dingen geleerd, goed tegen je geliefden zijn en alles wat je voor je geliefden moet doen’ (Voetnoot 10) en ‘De manier hoe hij voor mij zorgde heb ik geleerd om dezelfde voor je geliefde te doen’ (Voetnoot 11). Hoewel deze verklaringen kort zijn, zijn ze naar het oordeel van de rechtbank niet persé summier en oppervlakkig als ze in samenhang worden bezien met andere aspecten van de verklaringen van eiser die niet kenbaar bij de afweging zijn betrokken, zoals onder meer hiervoor aangehaald. De beroepsgrond slaagt.

Argument met betrekking tot de liefdesbrieven tussen eiser en [persoon 1]

23. Verder heeft verweerder tegengeworpen dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over de brieven die hij en [persoon 1] aan elkaar schreven. Eiser heeft daarover onder meer verklaard dat deze bijvoorbeeld songteksten uit liefdesliedjes bevatten. Volgens verweerder had eiser hierover persoonlijker en authentieker kunnen verklaren.

24. De rechtbank is met eiser van oordeel dat rekening houdend met hetgeen over eiser zijn referentiekader onder 15 is overwogen, het volstrekt onduidelijk is waarom hetgeen eiser heeft verklaard onvoldoende is, welke verwachtingen verweerder hierover meent te mogen hebben en waarop die verwachtingen zijn gebaseerd. De beroepsgrond slaagt.

Argument met betrekking tot de gevoelens voor [persoon 1]

25. Verweerder heeft ook tegengeworpen dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over zijn gevoelens voor [persoon 1] .

26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser een inkijkje gegeven in zijn gevoelens voor [persoon 1] en heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom dit niet voldoende is en waarop de verwachting is gebaseerd dat er meer van eiser had mogen worden verwacht (Voetnoot 12). Ook deze beroepsgrond slaagt.

Argument met betrekking tot de kennis van de lhbti-gemeenschap in Uganda

27. Verweerder heeft tevens tegengeworpen dat eiser niet veel weet over de situatie van de LHBTI-gemeenschap in Uganda.

28. De rechtbank is met eiser van oordeel dat in het licht van hetgeen over het referentiekader onder 15 is overwogen en de aard van de relatie, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit aan eiser kan worden tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt.

Argument met betrekking tot de problemen na de betrapping door eisers collega’s

29. Verder heeft verweerder tegengeworpen dat eiser wisselend en onlogisch heeft verklaard over het incident met [persoon 1] en eisers collega’s. Eiser heeft echter bij de problemen over drie kerngebeurtenissen verklaard, namelijk de eerste betrapping door zijn collega’s, de tweede betrapping door zijn collega’s en de daarop volgende problemen. Verweerder heeft in het bestreden besluit alleen ten aanzien van de eerste betrapping tegenwerpingen gemaakt en de verklaringen over de aangifte bij de politie worden niet langer betwist door verweerder. Ter zitting heeft verweerder opgemerkt dat hoewel over de twee andere gebeurtenissen in het besluit geen tegenwerpingen zijn gemaakt, niet kan worden aangenomen dat dit element van het asielrelaas geloofwaardig wordt geacht omdat het asielmotief als geheel ongeloofwaardig is bevonden.

30. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht opgemerkt dat een niet in het bestreden besluit besproken gebeurtenis niet direct betekent dat verweerder het bestaan daarvan accepteert en een asielrelaas daarmee toch geloofwaardig is. Echter, zoals in de inleidende overwegingen hiervoor is uiteengezet ontslaat dit verweerder niet van de plicht om zorgvuldig te motiveren waarom daarmee verband houdende maar ook afzonderlijke relevante gebeurtenissen niet geloofwaardig worden geacht. Dat geldt voor dit specifieke aspect van het asielrelaas van eiser in het bijzonder, gelet op het feit dat dit verklaringen zijn die raken aan een artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 13)-risico.

Conclusie en gevolgen

31. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsvereiste. De hiervoor geconstateerde individuele gebreken in het bestreden besluit zijn in hun onderlinge samenhang zo zwaarwegend dat het bestreden besluit in zijn geheel vernietigd dient te worden. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan verweerder op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.

31.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

31.2.

In het nieuw te nemen besluit zal verweerder de door eiser ingebrachte documenten en verklaringen in samenhang moeten beoordelen. Voor wat betreft het door eiser ingebrachte origineel van de oproeping door de politie is de rechtbank van oordeel dat aan dat document op grond van de hiervoor besproken onbetwiste elementen van het dossier, bij de huidige stand van zaken daarvan, tenminste enige bewijswaarde toekomt. Daarbij weegt de rechtbank mee dat aan dit document vanwege de aard van enkele van die onbetwiste elementen alleen al enige waarde toekomt in het kader van een toetsing op grond van artikel 3 van het EVRM op basis van een toegedichte homoseksualiteit. Dit betekent eveneens dat als verweerder zich in een nieuw te nemen besluit op het standpunt blijft stellen dat eiser zijn homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt, het document en de bewijswaarde daarvan zal moeten worden betrokken bij een toetsing op grond van artikel 3 van het EVRM.

31.3.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 6 november 2025;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Vreemdelingenwet 2000.

Voetnoot 2

ECLI:NL:RBDHA:2025:8794.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RBDHA:2024:14610.

Voetnoot 4

ECLI:NL:RBDHA:2025:10076.

Voetnoot 5

Zie in die zin ECLI:NL:RVS:2026:1012, r.o. 2.2.

Voetnoot 6

Pagina 5 van het nader gehoor.

Voetnoot 7

Pagina 6 van het nader gehoor.

Voetnoot 8

Pagina 12 van het nader gehoor.

Voetnoot 9

Pagina 17 van het nader gehoor.

Voetnoot 10

Pagina 16 van het nader gehoor.

Voetnoot 11

Pagina 17 van het nader gehoor.

Voetnoot 12

Pagina’s 11, 12 en 21 van het nader gehoor.

Voetnoot 13

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.