Procesverloop
Procesverloop
Verweerder heeft op 8 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek na behandeling op zitting gesloten.
Overwegingen
Overwegingen
Waarover gaat deze uitspraak?
1. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 januari 2026 (Voetnoot 1) volgt dat de maatregel tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 22 januari 2026 rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
1.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Zij legt hierna uit hoe zij tot dat oordeel komt.
Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?
2. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 2001.
Handelt verweerder voldoende voortvarend en is er zicht op uitzetting?
3. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat concreet zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser bevindt zich bijna vier maanden aaneengesloten in vreemdelingendetentie. De lp-aanvraag is op 15 oktober 2025 aan de Algerijnse autoriteiten verzonden. Verweerder heeft voor het laatst op 19 februari 2026 gerappelleerd. Verweerder heeft tot op heden nagelaten om op dossierniveau te rappelleren of op andere wijze extra aandacht te vragen voor de zaak van eiser. Daardoor is ook niet langer sprake van een concreet zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
3.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is of dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan eisers uitzetting. Zoals in de uitspraak van het vorige vervolgberoep van 29 januari 2026 is overwogen, bestaat in zijn algemeenheid zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, heeft verweerder sinds het indienen van de lp-aanvraag ten minste om de drie weken schriftelijk gerappelleerd, en bestaat er voor verweerder geen reden om op dossierniveau te rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten. (Voetnoot 2) Eiser heeft geen nieuwe omstandigheden aangevoerd waarin de rechtbank aanleiding ziet om van het oordeel van de rechtbank in het vorige vervolgberoep af te wijken. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft verweerder de vrijheidsontneming na het verstrijken van de 6 maanden termijn mogen verlengen?
4. Eiser voert aan dat hij inmiddels meer dan zes maanden in bewaring zit en verwijst daartoe naar het arrest van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in de zaak Aroja (Voetnoot 3) waarin het Hof heeft geoordeeld dat artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn (Voetnoot 4) zo moet worden uitgelegd dat, bij de beoordeling of de maximale bewaringstermijn is bereikt, alle periodes van bewaring die een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land in die lidstaat op grond van artikel 15 van de richtlijn heeft ondergaan ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit, bij elkaar moeten worden opgeteld. Omdat eiser meer dan zes maanden in bewaring zit, wat door verweerder niet wordt betwist, had verweerder een schriftelijk verlengingsbesluit moeten nemen. Nu verweerder geen verlengingsbesluit heeft genomen, is de maatregel onrechtmatig vanaf het moment van het verstrijken van de maximale duur van zes maanden zoals opgenomen in artikel 59, vijfde lid, van de Vw, aldus eiser.
5. Verweerder erkent dat de totale duur van zes maanden is verstreken, maar stelt zich op het standpunt dat het feit dat er geen schriftelijk verlengingsbesluit is genomen niet maakt dat de maatregel alleen al om die reden onrechtmatig is. Hij verwijst daartoe naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 12 maart 2026 (Voetnoot 5). In die uitspraak heeft de rechtbank ambtshalve beoordeeld of aan de voorwaarden voor verlenging van de bewaringstermijn is voldaan en heeft de rechtbank geoordeeld dat dit het geval was. Volgens verweerder zijn de omstandigheden in die zaak vergelijkbaar met de omstandigheden in deze zaak. Verweerder verwijst kortgezegd naar zijn motivering in de maatregel van 8 november 2025. Volgens verweerder kan uit de feitelijke toelichting en motivering in de maatregel van bewaring afgeleid worden dat aan de voorwaarden voor verlenging is voldaan. Uit de maatregel volgt immers dat eiser niet beschikt over identiteits- en reisdocumenten en dat eiser geen aantoonbare activiteiten heeft ondernomen zich alsnog in het bezit daarvan te stellen. Verweerder verwijst voorts naar diverse aliassen waar eiser gebruik van heeft gemaakt, de meerdere MOB-meldingen en de diverse ingediende asielaanvragen met het enkele doel zijn terugkeer naar Algerije te frustreren. Uit voorgaande volgt dat eiser niet meewerkt aan zijn uitzetting en dat de daartoe benodigde documentatie (uit Algerije) nog ontbreekt, waardoor de uitzetting meer tijd vergt.
6. De rechtbank stelt voorop dat in artikel 59, vijfde lid, van de Vw is bepaald dat de bewaring (in beginsel) niet langer duurt dan zes maanden. In artikel 59, zesde lid, van de Vw is vervolgens bepaald dat die bewaring ten hoogste met nog eens twaalf maanden kan worden verlengd indien de uitzetting, alle redelijke inspanningen ten spijt, wellicht meer tijd vergen, op grond dat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn uitzetting of daartoe benodigde documentatie uit derde landen nog ontbreekt. Daarbij is van belang of er nog voldoende gronden voor de bewaring zijn, of de bewaring onevenredig bezwarend is en of er zicht op uitzetting bestaat.
6.1.
De rechtbank overweegt dat uit het arrest Aroja van het Hof volgt dat bij de berekening van de krachtens artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn vastgestelde duur van de bewaring, alle afzonderlijke perioden van bewaring ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit bij elkaar opgeteld moeten worden, ook als deze zijn onderbroken door perioden van vrijheid en dat ook perioden van bewaring tijdens de behandeling van een asielaanvraag moeten worden meegerekend. (Voetnoot 6)
6.2.
De rechtbank stelt vast, aan de hand van de door verweerder verstrekte gegevens, dat de totale duur van de aan eiser ter uitvoering van een en hetzelfde terugkeerbesluit opgelegde maatregelen van bewaring – ten tijde van het sluiten van het onderzoek op 16 maart 2026 – meer dan zes maanden bedraagt. Eiser is namelijk in bewaring gesteld van:
1) 14 maart 2022 tot 29 maart 2022 (25 dagen) op grond van artikel 59b Vw; 2) 29 maart 2022 tot en met 4 mei 2022 (37 dagen) op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw;3) 6 februari 2024 tot 21 februari 2024 (15 dagen) op grond van artikel 59b Vw;4) 21 februari 2024 tot en met 29 februari 2024 (9 dagen) op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw;5) 1 oktober 2025 tot 6 oktober 2025 (5 dagen) op grond van artikel 59b Vw;6) 6 oktober 2025 tot en met 21 oktober 2025 (16 dagen) op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw:7) 8 november 2025 tot op heden op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw. Hierbij is van belang dat de zes maanden-termijn feitelijk 180 dagen bedraagt. Op basis van het overzicht de voormelde perioden van bewaring stelt de rechtbank vast dat eiser op 19 januari 2026 in totaal 180 dagen (zes maanden) op grond van een en hetzelfde terugkeerbesluit, onderbroken door perioden van bewaring van behandeling van asielaanvragen, in bewaring zat.
6.3.
De rechtbank overweegt dat hieruit volgt dat verweerder vóór 19 januari 2026 had moeten beoordelen of aan de voorwaarden voor verlenging werd voldaan en daarbij een verlengingsbesluit had moeten nemen. Vaststaat dat verweerder geen verlengingsbesluit heeft genomen. Dit vanwege het feit dat de huidige maatregel opgelegd is op 8 november 2025 en ten tijde van de zitting op 16 maart 2026 iets meer dan vier maanden duurde. De rechtbank ziet in dit geval, gelet op het feit dat verweerder ten tijde van de feitelijke verlenging op 19 januari 2026 nog niet bekend kon zijn met de uitleg van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn zoals deze volgt uit het recente arrest Aroja, aanleiding om ambtshalve te beoordelen of op het moment van de feitelijke verlenging, werd voldaan aan de voorwaarden voor de verlenging van de bewaring. Dit mede gelet op het feit dat de rechtbank over voldoende informatie beschikt om een dergelijke ambtshalve beoordeling te maken. Voorgaande neemt echter niet weg dat verweerder, naar aanleiding van het arrest, zijn werkwijze hieromtrent zal moeten aanpassen.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat zowel op het moment van het verstrijken van de zes maanden-termijn op 19 januari 2026 (de feitelijke verlenging), als op dit moment, aan de materiële voorwaarden voor verlenging is voldaan. De rechtbank stelt vast dat de feitelijke omstandigheden waar verweerder op wijst - zoals de omstandigheid dat eiser geen activiteiten heeft ondernomen om aan identificerende documenten te komen, al meerdere asielaanvragen heeft ingediend om terugkeer te frustreren en meerdere keren met onbekende bestemming is vertrokken - niet door eiser zijn betwist. Uit de feitelijke omstandigheden, die ook al ten tijde van de feitelijke verlenging aan de orde waren zoals blijkt uit de stukken in het dossier, volgt volgens de rechtbank dat ook in die periode eiser onvoldoende meewerkte aan zijn uitzetting, de Algerijnse autoriteiten meer tijd nodig hadden en dat daarom de uitzetting meer tijd vergde. Ook ziet de rechtbank ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat op dat moment niet was voldaan aan de overige vereisten voor verlenging. De rechtbank betrekt hierbij allereerst dat uit de uitspraak van de rechtbank van 29 januari 2026 (Voetnoot 7) op het vorige vervolgberoep blijkt dat er op dat moment zicht op uitzetting was en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend was. Daarnaast zijn er voldoende gronden voor de bewaring aanwezig. In de uitspraak van 12 december 2025 van deze rechtbank en zittingsplaats (Voetnoot 8), waarin de huidige maatregel door de rechtbank is getoetst, is door de rechtbank geoordeeld dat er voldoende gronden ten grondslag liggen aan de maatregel. Eiser heeft deze gronden niet betwist en ook de rechtbank is niet gebleken dat deze gronden ten tijde van de feitelijke verlenging niet van toepassing waren. Omdat aan alle verlengingsvoorwaarden is voldaan, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de maatregel heeft mogen verlengen en dat het voortduren van de maatregel daarmee niet onrechtmatig is.
6.5.
De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er andere redenen om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten?
7. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. O'Sullivan, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.