Procesverloop
Procesverloop
1. Bij besluit van 13 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Hij heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
Overwegingen
2. De minister heeft de maatregel gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a (a-grond) en b (b-grond) van de Vw (Voetnoot 1). Als aan de daarvoor gestelde eisen is voldaan, is elke van deze gronden afzonderlijk voldoende om de maatregel te kunnen dragen. In dit verband stelt de minister zich op het standpunt dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grond) en op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, wegens het risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen (b-grond). De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware en lichte gronden vermeld dat eiser:
(zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
(lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
5. Eiser stelt dat de grondslag van de maatregel van bewaring onjuist is, omdat er inmiddels een beslissing is genomen op de asielaanvraag. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen ingediend, en daarom had er al een omzetting moeten plaatsvinden. Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling (Voetnoot 2) van 20 februari 2026 (Voetnoot 3). Eiser concludeert hieruit dat de Afdeling deze rechtsvraag gaat onderzoeken, en stelt op basis hiervan dat de grondslag van de onderhavige maatregel niet klopt.
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser na 18 maart 2026 nog altijd viel onder de in artikel 59b van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De bewaring van eiser vond zijn grondslag in artikel 59b, eerste lid aanhef en onder a en b, van de Vw. Na de beslissing op de asielaanvraag is de b-grond weliswaar niet meer aan de orde, maar de a-grond geldt nog steeds. Bovendien heeft eiser tijdens de beroepstermijn rechtmatig verblijf. (Voetnoot 4) Eiser heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen de afwijzing van de asielaanvraag. Omdat de termijn voor het instellen van beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag op 25 maart 2026 (aan het einde van die dag) verstreek, moest de minister de grondslag van de vrijheidsontnemende maatregel uiterlijk op 27 maart 2026 omzetten. (Voetnoot 5) De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat de omzetting dezelfde dag nog zou plaatsvinden. De rechtbank ziet in de toegewezen voorlopige voorziening waar eiser naar verwijst geen reden om af te wijken van de bestaande jurisprudentie, nu de Afdeling nog geen uitspraak heeft gedaan op het hoger beroep. Gelet op het voorgaande berustte de maatregel op het moment van het sluiten van het onderzoek op de juiste grondslag. De beroepsgrond slaagt niet.
Gronden
6. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2020 (Voetnoot 6) volgt dat, om de gronden 3a, 3b, 3c, 3d en 3e aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser voordat hij in het kader van Dublin aan Nederland werd overgedragen illegaal is ingereisd en dit hem kan worden tegengeworpen. Ook de grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser op 22 september 2021 met onbekende bestemming is vertrokken. Ook is eiser niet verschenen op meerdere afspraken voor zijn asielprocedure. Grond 3c is ook feitelijk juist, omdat eiser op 29 november 2022 een terugkeerbesluit heeft gekregen. Ten aanzien van grond 3d overweegt de rechtbank dat eiser niet in het bezit is van identificerende documenten en dat hij zich niet aantoonbaar inspant om deze te verkrijgen, waardoor ook deze grond feitelijk juist is. Tot slot is grond 3e feitelijk juist, omdat eiser gebruik heeft gemaakt van een alias.
6.1.
Dat lichte gronden 4a, 4c en 4d niet aan eiser kunnen worden tegengeworpen omdat hij asiel heeft aangevraagd, volgt de rechtbank niet. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken, heeft zich niet gehouden aan de hem opgelegde meldplicht en voldoet niet aan de op hem rustende wettelijke verplichting tot het beschikken van een document, waaruit zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie blijkt. (Voetnoot 7) Verder beschikt eiser niet over een vaste woon- of verblijfplaats en ook niet over voldoende middelen van bestaan, zodat ook deze lichte gronden terecht aan eiser zijn tegengeworpen. Daarbij is het onttrekkingsrisico ook gemotiveerd.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken zware en lichte gronden, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht van uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat daarom niet om de overdracht van eiser te verzekeren.
7.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan de bewaring op te leggen.
8. De termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als een maximale termijn waarbinnen de minister voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat eiser voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. (Voetnoot 8) De rechtbank stelt vast dat eiser op 4 februari 2026 een asielaanvraag heeft ingediend, dat op 16 februari 2026 een aanmeldgehoor heeft plaatsgevonden en op 18 februari 2026 een nader gehoor. Vervolgens heeft de minister op 20 februari 2026 een voornemen uitgebracht, en op 18 maart 2026 een beschikking bekendgemaakt. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in de onderhavige procedure onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan de asielaanvraag van eiser.
9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat de Afdeling in de uitspraak van 6 juni 2016 (Voetnoot 9) heeft overwogen dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.