Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht
ECLI:NL:RBDHA:2026:7377
Op 31 March 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.16272, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:7377. De plaats van zitting was Middelburg.
Indicatie
Beroep – Dublin – zonder zitting – Kroatië – effective remedy – ongegrond – geen proceskostenveroordeling
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiserV-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Procesverloop
Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1)
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb (Voetnoot 2) uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 6 januari 2026 asiel aangevraagd in Nederland.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 5 september 2025 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Kroatië. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 17 februari 2026 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.
Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartegen het volgende aan. Verweerder betwist niet dat in Kroatië ook de asielaanvragen van Turkse asielzoekers in de versnelde procedure worden behandeld. Uit het in de zienswijze aangehaalde AIDA-rapport uit 2025 volgt dat beroepen tegen afwijzende beschikkingen in de versnelde procedure geen opschortende werking hebben. In het arrest Y.K. tegen Kroatië is duidelijk geformuleerd dat een beroepsprocedure zonder opschortende werking niet kan worden aangemerkt als een ‘effective remedy’. Volgens eiser levert het ontbreken van een effective remedy in Koratië een systeemfout op in de asielprocedure en heeft hij aannemelijk gemaakt dat ook hij daar het slachtoffer van kan worden.De rechtbank oordeelt als volgt.
In beginsel mag verweerder ten opzichte van Kroatië, dat evenals Nederland partij is bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is reeds bevestigd in de uitspraken van de Afdeling van 10 december 2024 (Voetnoot 3) en 20 augustus 2025. (Voetnoot 4) Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval hier niet van kan worden uitgegaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat de Kroatische autoriteiten hun verdragsverplichtingen jegens hem niet zullen nakomen en dat bij terugkeer een situatie zal ontstaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest. Ook is niet gebleken van ernstige structurele tekortkomingen in het asielsysteem of de opvangvoorzieningen.
5. Het door eiser aangehaalde arrest Y.K. vormt geen aanwijzing voor een andere conclusie, nu het geen gelijksoortige situatie betreft. In die zaak ging het om een vreemdeling die Kroatië illegaal was binnengekomen en geen effective remedy had om zijn uitzetting aan te vechten. Eiser zal in het kader van de Dublinverordening gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten en daarmee toegang hebben tot de Kroatische asielprocedure. Verder kan uit de omstandigheid dat in de door eiser aangehaalde zaak geen sprake was van een effective remedy, niet worden afgeleid dat sprake is van structurele tekortkomingen in de algehele asielprocedure in Kroatië, dan wel van systeemfouten. Uit de door eiser ingebrachte informatie kan dit – mede gelet op hetgeen in rechtsoverweging 4 is overwogen – evenmin worden afgeleid.
6. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 31 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Voetnoot
Voetnoot 1
Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Voetnoot 2
Algemene wet bestuursrecht.
Voetnoot 3
ECLI:NL:RVS:2024:5076.
Voetnoot 4
ECLI:NL:RVS:2025:3901.