RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Jordaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het besluit om de asielaanvraag van eiser, als bedoeld in artikel 28 van de Vw (Voetnoot 1), niet-ontvankelijk te verklaren. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Procesverloop
2. Eiser heeft op 13 februari 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 8 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 31 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Overwegingen
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft eerder op 20 september 2021 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 19 december 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep van eiser tegen dit besluit is bij uitspraak van 21 maart 2024 door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem ongegrond verklaard. (Voetnoot 2) Bij uitspraak van 19 april 2024 heeft de Afdeling (Voetnoot 3) deze uitspraak bevestigd. Hiermee is de afwijzing van de eerdere asielaanvraag onherroepelijk geworden.
3.1.
Op 13 februari 2025 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij een politierapport uit Jordanië ten grondslag gelegd.
3.2.
De minister heeft met het bestreden besluit de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d van de Vw 2000. Hoewel eiser wel een nieuw element in de vorm van het overgelegde document heeft aangevoerd, is dit element niet relevant volgens de minister.
Heeft de minister de opvolgende asielaanvraag niet-ontvankelijk mogen verklaren?
4. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte een inhoudelijke beoordeling heeft gemaakt. Bij een ontvankelijkheidsbeoordeling hoeft er enkel beoordeeld te worden of een document relevant kan zijn voor de beoordeling van een opvolgende asielaanvraag. De inhoud van het politierapport ziet op de kern van een van de asielmotieven en kan daarom relevant zijn. Eiser heeft verder uitgelegd dat hij het politierapport niet eerder kon overleggen. Dat hij niet tot in detail kan verklaren hoe zijn advocaat in Jordanië aan het document is gekomen, maakt niet dat geconcludeerd kan worden dat de afgifte hoogstwaarschijnlijk niet is gegaan zoals het hoort.
4.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat er al een inhoudelijke beoordeling heeft plaatsgevonden. Uit de werkinstructie (WI) 2023/7 volgt welke punten betrokken worden bij de beoordeling of een nieuw element of bevinding ook relevant kan zijn. Hieronder vallen onder meer de redenen waarom de eerdere aanvraag is afgewezen, de situatie (van een bepaalde groep) in het land van herkomst van de vreemdeling en het landenbeleid, de relevantie van het document, het moment waarop de vreemdeling de nieuwe informatie aandraagt, de aard en inhoud van een document en de afgevende instantie, de wijze waarop de vreemdeling een document heeft verkregen, of er (goede) redenen zijn om te twijfelen aan authenticiteit van een document, of er (goede) redenen zijn om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van de in het document vermelde gegevens en of er sprake is van een authentiek bevonden document. Het is de rechtbank niet gebleken dat de minister een onjuiste toets heeft gehanteerd. De minister heeft bij zijn beoordeling gebruik gemaakt van de hiervoor genoemde punten uit de WI.
4.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat de verklaringen van eiser het oordeel niet anders maken. Eiser heeft namelijk niet concreet gemaakt waarvoor zijn familie en advocaat te vrezen zouden hebben bij het opvragen van het politierapport. Ook heeft de minister niet enkel op basis van eisers verklaringen over hoe zijn Jordaanse advocaat aan het politierapport is gekomen, geconcludeerd dat de afgifte van het politierapport hoogstwaarschijnlijk niet is gegaan zoals dit hoort. De minister heeft hierbij ook betrokken dat het politierapport een intern document betreft en dat iemand volgens de meest gangbare interpretaties niet zomaar interne politierapporten tot zijn beschikking krijgt.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende deugdelijk en binnen de kaders van de WI gemotiveerd dat het overgelegde politierapport niet als relevant kan worden gezien. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod kunnen opleggen?
5. Eiser voert aan dat de minister het eerder opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod ten onrechte handhaaft. Daarnaast stelt eiser dat de minister het terugkeerbesluit onvoldoende heeft gemotiveerd. De minister dient bij de uitvoering van ieder terugkeerbesluit een kenbare actuele beoordeling te maken van het risico op refoulement. Eiser wijst naar het arrest Ararat. (Voetnoot 4)
5.1.
De rechtbank overweegt dat de minister op grond van het arrest Ararat in alle fasen van de procedure een actuele beoordeling moet maken van het refoulementrisico. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende heeft beoordeeld of de uitzetting van eiser in strijd zou zijn met het non-refoulementbeginsel. De minister heeft in de besluitvorming overwogen dat er geen aanwijzingen zijn te vinden voor het oordeel dat de situatie voor Palestijnen uit Jordanië significant afwijkt van de situatie tijdens de eerste asielaanvraag en dat ook niet is gebleken dat de persoonlijke situatie van eiser is gewijzigd. Eiser heeft ook in beroep niet aangegeven welke (nieuwe) omstandigheden een dergelijke schending zouden opleveren en de rechtbank ziet ook in het dossier als geheel geen aanwijzingen voor een risico op schending van artikel 3 van het EVRM.
Beslissing
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.